H.Hoofd Devotie (3)

Zesde Hoofdstuk: Beledigingen en Eerherstel

1. Aantal en grootheid der beledigingen

Er werd aan Teresa door Jezus bekend gemaakt, dat er “tegen Hem veel door wilszwakte en ongeordende aandoeningen werd gezondigd, maar dat de zonde van het intellect deze in aantal en grootte overtroffen” (1).

1. Aantal

 

Men kan met statistieken niet uitmaken hoeveel er gezondigd wordt door bewust ongeloof en vrijwillige negatie van Jezus’ leer. Wij moeten eerst veel categorieën van mensen uitsluiten die niet bewust van hun ongeloof, te goeder trouw denken dat de door hen beleden godsdienst en zedelijke levenswijze aan God aangenaam is. In een midden van andersdenkenden opgevoed, nooit iets anders gezien en gehoord hebbend dan de dwaling, kennen zij van de Waarheid slechts een schaduw. Deze mensen dienen God, zoals Abraham zijn afgoden diende totdat de Heer hem toesprak en hij eindelijk de ware God leerde kennen. Zulke ongelovigen, waarbij vele heidenen of afgodendienaars te rekenen zijn, hebben, een onoverwinnelijk vals geweten en moeten het ook volgen en God dienen in hun schaduwen. Over deze arme heidenen spreekt de Zaligmaker niet, noch over onze afgescheiden broeders, de protestanten en de scheurmakers, die te goeder trouw zijn. Al te dikwijls menen vele katholieken dat al die mensen bewust de ketterij aanhangen en kunnen niet begrijpen dat ze in een goede mening verkeren God door hun levenswijze te eren. Tot hun terugkeer is er meer christelijke wijsheid en liefde nodig, want met afkeer en onbegrip komt men nergens.

Het gaat hier om bewust ongeloof, om een inzien dat Jezus’ waarheid de enige is, waaraan men zich onderwerpen moet, maar die de mens niet wil aanvaarden wegens tegenzin, schaamte, verlies van eer of omdat ze de passies tegenspreekt, daar Hij deugden aanprijst die men veracht. Onder hen zijn de Herodesen, die wegens hun slecht leven, dat zij niet willen verlaten, Jezus’ leer dwaas vinden en Hem het dwazenkleed aandoen.

Er is echter een erger soort van bewust ongeloof, namelijk de intellectuele hoogmoed, namelijk; zij die Jezus in zijn Persoon aanvallen. Zij vinden het geloof in een Godmens belachelijk en heten het onmogelijk dat een God op aarde zou gekomen zijn, dat noemen ze een mythe of fabel. Zij aanvaarden wel een historische persoon die Jezus heette en sommigen noemen Hem zelfs een edel mens, maar Hij was geen God, zijn mirakelen waren vernuftige genezingen van een kwakzalver, zijn verrijzenis een uitvindsel van zijn volgelingen en daar Hij een gewoon mens is geweest, heeft Hij het recht niet aan heel de mensheid gewetenswetten voor te schrijven en aanbidding te vragen voor Zijn Persoon.

Onder hen zijn er Godgelovigen, die beweren dat er zeker een God bestaat, maar een die zich van de wereld niets aantrekt en zeker niet in de wereld is gekomen. Andere negeren het bestaan van een Godheid en zijn wat wij goddelozen heten. Deze beweren dat er niets anders dan stof bestaat, die in een eeuwige evolutie allerlei vormen schept en laat verloren gaan, weer in andere vormen verschijnt en deze afbreekt in een eeuwig herbeginnen. Onder deze goddelozen zijn er die het goede recht der gelovigen op vrijheid van geloofsuiting aanvaarden en zeggen dat men ieder in zijn gedacht moet laten. De ergsten onder hen zijn de antitheïsten, die wij strijdende godloochenaars heten en die het geloof uit de harten van de mensen willen rukken. Zij gebruiken alle middelen daartoe en hun redenering komt hierop neer: “Het geloof in God houdt de wetenschap en de sociale en economische verbetering tegen, het moet verdwijnen.” Het is duidelijk dat zij hun verstand misbruiken en tegen de rede ingaan. Om deze bewuste ongelovigen is het te doen.

2. Grootheid

Welnu, het misbruik van het intellect is een “hemeltergende ondeugd”. Die strijdende goddeloosheid is in de ogen van God een weerzinwekkende hoogmoed en zo Hij deze mensen niet straft, zoals Hij wel eens in het Oude Testament deed, is het juist wegens het Nieuwe Verbond met de mensen, waarin voor eenieder, zonder uitzondering, een bepaalde tijd is vastgesteld; een overvloedige genade te gebruiken of zich van God definitief af te wenden.

Maar deze hemeltergende zonden beladen de hele wereld met schuld en zoals een overwonnen aanvaller oorlogsschuld moet betalen, zo moet ook de mensheid deze nieuwe schuld delgen en wordt zij niet uitgeboet, dan dwingt men de Hemel tot straffen om de terugkeer tot het geloof te bewerken.

Deze mensen begrijpen niets van de oneindige Majesteit Gods, die Teresa zo diep aanvoelde, dat zij erdoor vernietigd werd. “O mijn God, schrijft ze, wie zal tegen U stand houden? Het komt me voor, dat dit een zelfde gevoel moet zijn, als de ziel ondervindt, wanneer ze voor God staat, om geoordeeld te worden” (2).

Dit gevoel missen alle hoogmoedigen, die zich nooit in de tegenwoordigheid Gods stellen, maar hebben de nederigen die zich klein weten: “O mijn God, gaat ze verder, waar zal ik de woorden vinden om uitdrukking te geven aan de glorie, de majesteit en de schoonheid van dat aangezicht, waarvoor de Cherubijnen en Serafijnen in stomme bewondering en aanbidding neervallen. Evenmin als de apostelen op de Tabor, kan ik die glorievloed, die uitstroming van de Godheid verdragen (3).

De H. Thomas zegt dat de belediging gemeten wordt naar de waardigheid van deze die men beledigt.

Indien nu de mensen zo sterk op hun eer gesteld zijn, dat zij er processen voor aangaan, ja, zelfs de dood in duels en zelfmoord verkiezen, heel hun fortuin willen afgeven, eerder dan hun gekrenkte eer niet hersteld te zien, wat moeten wij dan van de krenking denken die de Heer der heren ondervindt als Hij niet door één persoon, maar door tientallen miljoenen goddelozen wordt vernederd. Als reeds op heilige zielen zijn Majesteit zulke indruk maakt, dat zij – die nochtans geen noemenswaardig kwaad bedreven – het besterven, iets van de waardigheid in hun visioenen te vernemen, zeg mij dan, hoe onmetelijk Gods Grootheid is, en wie er in staat is deze beledigde Heiligheid een eerherstel aan te bieden?

(1) Leven, blz.135

(2) Leven, blz.111

(3) Leven, blz.121

 

2. Hulde en Eerherstel

Er is een verschil tussen hulde en eerherstel.

Hulde is een verering, die in een erkentenis van een waardigheid bestaat, zoals wij vorsten en grote staatslieden plechtig in onze steden ontvangen op handgeklap, bloemen en versiering, met welkomstwoorden en redevoeringen van grote waardering. Wij noemen dit een eenvoudig eerbetoon.

Eerherstel daarentegen is een verplichte hulde wegens een schennis van een schade aan de eer van een persoon gebracht, zoals bijvoorbeeld met het gerecht kan gebeuren, dat onbewust dwalend een onschuldige veroordeelde. De rechter drukt zijn spijt uit nopens de dwaling, de veroordeelde ontvangt een schadevergoeding, soms krijgt deze laatste een erepost om de laatste smet op zijn naam uit te wissen.

Welnu, als het Gods eer aangaat, zijn wij tot allebei verplicht. Over de hulde spreken wij verder, laten wij nu over eerherstel een woord zeggen. Hoe moet dit gebeuren?

1) Eerst door de H. Hoofdvereerders; “Hij gaf mij te verstaan, schrijft Teresa, dat Hij al degenen die deze godsvrucht zouden bevorderen, zou kronen en met heel bijzondere glorie zou bekleden… en ik begreep dat Onze Lieve Heer en zijn Moeder deze hulde beschouwden als een vergoeding voor de beledigingen de Alwijze God aangedaan, toen Hij uit spot werd gekroond en gehuldigd, en als een dwaas werd gekleed en gekrenkt” (1).

Uit haar verdere woorden kunnen wij opmaken, dat naarmate de ziel, die Hem vereert, heiliger is, ook de verering, die zij brengt, als een volmaaktere herstelling door Jezus aanvaard wordt, zoals een kunstenaar zich meer vereerd voelt door het lovende oordeel van een andere kunstenaar dan van een gewone bewonderaar.

Daarom beschouwt Jezus de ijver voor zijn H. Hoofd reeds als een eerherstel en naarmate deze ijveraar heiliger leeft is zijn ijver ook een volmaakter eerherstel.

2) Maar Jezus wil ook, dat niet alleen zijn vrienden, maar zoveel zielen mogelijk Hem eerherstel aanbieden. Daarom vraagt Hij van allen op de octaafdag van het H. Hartfeest een bijzonder openbaar eerherstel, want zegt Teresa: “Zelfs in het huis van mijn vrienden kennen zij Me alleen met het dwazenkleed aan, met een spotkroon op, Ik, die de God van Wijsheid en alle kennis ben”.

Vele christenen door hun lichtzinnig leven, door hun wereldse gezindheid en hun toegeving aan valse princiepen, willen en de wereld en Christus dienen. Zij onderhouden een …[onleesbaar woord, red.] andere plicht, maar verwaarlozen er andere. Zij zijn een ergernis voor velen en wegens hun gedrag blijven veel ongelovigen van God verwijderd of vinden er een reden in, om onboetvaardig te blijven. “Zij zijn niet beter dan wij, eerder slechter; want zij willen doorgaan als eerlijk en zijn schijnheilig, wij tonen wat wij zijn.” Zo spreken dan die ongelovigen.

Wilden deze christenen nadenken over hun leven met het H. Hoofd voor ogen, wellicht zouden zij hun dwaasheid inzien en bekennen dat men geen twee meesters kan dienen. Zij kunnen bij grote samenkomsten van eerherstel een zalige schok krijgen en door de beoefening van deze godsvrucht weer ware volgelingen van Jezus worden en zodoende het getal zijner ware vrienden vermeerderen.

(1)     Leven, blz.130

3. Enige bijzondere redenen om het H. Hoofd hulde te brengen

Spreken wij nu over hulde of eerbetoon.

1) Wij brengen aan de H. Drieëenheid een grote eer, zo wij Jezus Wijsheid aanbidden, want het is de Vader-Schepper, die aan de Mens-Jezus, zulk een wijsheid gegeven heeft. Jezus’ Ziel kwam geheel ongeschonden uit de handen van de Schepper, en bezat alles wat Hij nodig had om zijn taak als Verlosser aan te vatten. Zo wij deze Ziel eren in haar wijsheid, eren wij de Vader die ze gaf. Wij eren ook de H. Geest, die steeds de Ziel van Jezus inspireerde, zoals het dikwijls in het evangelie aangehaald wordt en wij eren tenslotte de tweede Persoon van de Drieëenheid, die een menselijk verstand, wil en geheugen op zulk een volmaakte wijze gebruikt heeft.

Teresa zegt het zeer duidelijk: “wij brengen aan de altijd gezegende Drieëenheid een grote hulde, zo wij het H. Hoofd “van Onze Lieve Heer als zetel der goddelijke wijsheid aanbidden” (1).

2) Door deze devotie wordt heel Jezus’ Mens-zijn of zijn gehele Persoon geëerd. Wij eren immers, zoals de mensen steeds doen in het dagelijks leven, het bijzonderste deel van zijn Lichaam, het edelste deel, het H. Hoofd en we eren de ziel in ”haar drie vermogens van verstand, wil en geheugen, die tot hiertoe nog geen bijzondere hulde kregen” (2).

Zo naderen wij beter tot de hele Persoon en blijven wij niet haperen bij een enkel aspect van zijn mensheid. Wij begrijpen ook beter de Zaligmaker, wanneer wij inzien dat al zijn woorden, werken, gebaren en handelingen bestuurd en geregeld werden door zijn Geest, doorgloeid van Gods’ Wijsheid.

Is het geen hulde wanner wij van iemand zeggen: “die persoon begrijpt mij?” Getuigen wij daarmee niet, dat hij ons geduldig wil aanhoren, onze gedachten en gevoelens wil raden, zich tot onze dienst wil stellen. Zulke mensen hebben wij bijzonder in achting, zij zijn edel, en voor sommigen een laatste redplank op een mijlpaal in hun leven.

Welnu dan, als wij van Jezus kunnen zeggen: Hij begrijpt wat een mens is en ik weet waarom Hij mens werd met de mensen; ik besef waarom Hij op de naastenliefde drukte; ik aanzie het als iets heerlijks dat Hij eerst naar de armsten en de eenvoudigsten ging, ik waardeer zijn lijden waardoor ik zelf de moed kreeg om het mijne op te nemen. Wanneer Jezus zulke zielen aantreft zal Hij dan zich niet vereerd voelen begrepen te worden, zal Hij de zielen niet bewonderen zoals Hij de Cananese bewonderde, die Hem niet als enggeestig aanzag, alsof Hij enkel om Israël gekomen was?

Het is klaar dat ons begrip voor Hem een hulde is, aan zijn Persoon aangedaan, en de reden daarvan is, dat wij aanvaarden “dat in elke daad van de Godmens een oneindige wijsheid, macht, kennis en liefde, ligt “en het motief van elke daad de volmaakte vervulling van Gods wet is (3), daar God niets anders dan het goede kan willen.

 

(1) Leven, blz.136

(2) Leven, blz.138

(3) Leven, blz.139

 

 

4. Individuele of persoonlijke hulde aan Jezus

 

Zo Jezus gekrenkt wordt door het misbruik dat de mensen van hun drie zielsvermogens maken, doordat ze hun geheugen volproppen met aardse, ongeoorloofde en boze beelden en gedachten, hun wil met allerlei hartstochtelijke wensen en verlangens en hun verstand met drogredenen, ideologieën en opinies, die regelrecht indruisen tegen het gezonde verstand; dan kan het niet anders of die krenking moet Zijn vermogens pijnigen (1).

Wijzelf zijn geschokt in ons binnenste om drogredenen en wij willen ze soms onstuimig tegenspreken. De weerzin grijpt ons aan, als wij de openbare immoraliteit zien; en we zijn treurig als wij hele dagen moeten vechten tegen dingen, die ons geheugen willen binnendringen en die wij van ons willen verwijderd houden.

De geestelijke leider van Teresa, de E. H. Powell, drukt dit uit als volgt: “In deze dagen van hoogmoed, zelfzucht, opstand tegen de Kerk… wenst Jezus zijn H. Hoofd… met bijzondere verering aanbeden te zien…:

1) als het orgaan van de wil, zo gepijnigd, toen Hij al de zonden van de wereld op zich nam (zonden worden in wezen met de wil bedreven); dat dragen van de zonden moet de wil van de geheel reine God zwaar zijn gevallen;

2) als orgaan van het geheugen dat in bijzonderheden alle zonden van alle mensen kende;

3) en als orgaan van het verstand dat met volle kennis van de rechtvaardigheid en heiligheid alle misdadigheid doorschouwt (2). Het was de smart van Zijn doodstrijd, die Hem bloed deed zweten.

Inderdaad, hoe edeler een mens is, hoe dieper hij alle zedelijke misstappen aanvoelt. Een onkrenkbare, lieve echtgenote zal tot stervens toe beschaamd en verdrietig zijn, als haar man als dief of moordenaar wordt aangeklaagd. Maar stellen wij ons nu een ogenblik voor dat deze man onschuldig is en voor zijn rechters staat; alle bewijzen zijn tegen hem, hij is bijgevolg de schuldige. De openbare opinie slaat nu ook om en beticht hem, zijn eigen liefhebbende vrouw moet voor de bewijzen zwichten, hem wacht een levenslange straf in een vergeten gevangeniscel.

Dit is een flauw afbeeldsel van wat Jezus overkomen is, toen Hij voor het aangezicht van Zijn Vader stond en door een menselijk gerecht werd gestraft. Verscheidene misdrijven werden op Hem geladen, als op een zondebok, door een aards gerecht; en het hemelse gerecht van de Vader, eiste ook een uitboeting om zonden die Jezus op zich had genomen.

Niet alleen tijdens Zijn lijden is die vloed van zonden in Zijn Ziel binnen gedrongen, ook tijdens Zijn leven was Hij getuige van allerlei boosheden, want Hij wist wat er in de mensen omging. Hij doorschouwde hun gedachten en kende de grootheid van hun kwaad.

Hoe kunnen wij nu die krenking herstellen door ons persoonlijk gedrag?

Met onze drie zielsvermogens naar God te richten, wat overigens de echte betekenis is van het eerste gebod: “Gij zult God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en al uw krachten”. Zo hebben het ten andere alle heiligen verstaan.

Zij vulden hun verstand met de aandacht op Gods aanwezigheid op alle plaatsen, om er nadien naar te handelen; ze zochten een beter begrip van de geloofsmysteriën; zij overwogen dag en nacht en gebruikten hun verstand om tot God te naderen. Hij die zich in edelmoedigheid niet laat overwinnen, verlichtte hun zoeken en meditaties en gaf hen de gave van verstand, waardoor ze met gemak, in een grote zoetheid en een heilige vreugde van de ene verhevene kennis naar de andere opgingen.

Zij vulden hun wil met allerlei verlangens en zelfs hartstochtelijke wensen om de Heer in alles te voldoen. Zij schrokken om de minste afwijking van deze wil van Gods geboden, raden en wensen; ze deden soms dwaasheden om hun aanhankelijkheid te betuigen; gehoorzaamden aan overheden, huns gelijken en zelfs aan onderdanen om hun eigen wil te breken; en brachten een offer van al hun goestingen en zelfvoldoeningen. God liet het daarbij niet, maar nam dit offer welgevallig aan en aanzag een enkel liefdeakt van zulke overgegevene zielen als meer waard dan duizenden liefdedaden van minder beminnende harten. Hij trok hen naar zich toe en gaf hen in dit leven, reeds de smaak der eeuwige dingen.

Zij vulden hun geheugen met allerlei lezingen, kennissen nopens de goddelijke zaken, joegen alle wereldse gedachten weg; dreven alle beelden en herinneringen aan ongeoorloofde dingen uit en kwamen tot zulk een leegte, een “beeldloosheid” waarvan Ruusbroec spreekt, dat de Heer hun enige herinnering werd.

Zo was hun ziel met God vervuld, zoals Jezus’ Ziel het was. Zo volgden zij Jezus’ Ziel na en kregen zij Zijn wijsheid in ruil. Er is geen hogere hulde denkbaar, dan deze van “ons wezen” (3), namelijk dat wij ons zelf, onze drie zielsvermogens geheel aan God geven, door ze voor God te gebruiken in gebed en aktie.

(1) Leven, blz.182

(2) Leven, blz.182

(3) Spr.3,9

 

 

5. Beschouwing over de wijze om Jezus te naderen

Het zal voor eenieder nu duidelijk zijn dat deze godsvrucht niet uitsluitend Jezus’ Wijsheid vereert, maar geheel zijn Persoon. Daarom mag ze niet aangezien worden als ‘de zoveelste nieuwe’, met een schouderophalen van; wat hebben we aan al die devoties? noch als “alle-andere-vervangend”, zodat men gerust alle overige van kant kan schuiven.

Neen, zij is de bekroning van alle andere devoties, die zich met Jezus’ Mensheid bezig houden; dat is niet hetzelfde als vervanging!

Als wij Jezus’ H. Hoofd beschouwen, dan is het niet om op dit ene punt van de wijsheid stil te blijven staan. Onze godsvrucht moet eenvoudig en natuurlijk zijn, zoals deze van de mensen in het evangelie. Magdalena kuste Jezus’ voeten, omdat ze zich tot méér niet waardig achtte; de apostelen omhelsden hem, omdat ze vertrouwen hadden in zijn zachte blik vol van begrip en meegevoel voor hun tekorten, Maria kuste zijn gelaat en waste zijn lichaam, omdat zij schuldeloos was; Johannes keek naar zijn H. Aanschijn; Jozef van Aritmatea trok de nagels uit handen en voeten en zag zijn wrede wonden; allen hielden zich met een deel van Hem bezig, maar toch dachten zij aan zijn Persoon. Wij zijn nu eenmaal mensen en kunnen niet alles, zoals God, in één zicht zien. Wij moeten langs vele afzonderlijke kennis tot een gehele wetenschap komen. Alle devoties omtrent Jezus’ Mensheid bedoelen niets anders dan langs een afzonderlijk deel tot de gehele Christus of Jezus’ Persoon te geraken, en dan zeggen wij: wat staat er het dichtst bij zijn Persoon? Is het niet zijn Ziel?

Zo gij echter door de wonden van nagels getroffen wordt, denk dan daaraan en volg de trek der genade; zie hoe vreselijk zij zijn en tracht Jezus’ lijden te vatten en wederliefde te geven.

Zo het de wonde der zijde is, die u als een andere honderdman doet zeggen: “Deze was de Zoon Gods”, blijf dan bij deze opening, dring erin door en ga tot Jezus’ Persoon en zeg met de H. Ignatius: “Water der zijde, was mij”.

Zo de liefde van Jezus’ Hart u ontroert, denk dan dat het Gods liefde is en tegelijk een Menselijke liefde en de H. Franciscus zal u toeroepen, dat die liefde niet genoeg gekend is.

Zo gij door de doornenkroon wordt getroffen, ga dan langs daar naar Jezus, maar altijd moet gij uitkomen op zijn Ziel en zijn Godheid.

En zo het eindelijk Jezus’ Wijsheid is, die u treft, zoals het met de goede moordenaar gebeurde; Hij is onschuldig en lijdt geduldig, Hij moet een groot profeet zijn, volg dan ook de genade.

Dwing u niet bij één aspect van Jezus Mensheid te blijven, alsof dit aspect het alleenzaligmakende ware. Teresa heeft alle godsvruchten beoefend omtrent de Mensheid. Doe dus gelijk de bijen, die overal wat honing zuigen en daar waar zij het meest vinden wat langer blijven zitten; maar begrijp, dat deze godsvrucht van Teresa het diepste aspect van Jezus’ Persoon is, waarnaar alle andere verwijzen.

En scheid ook niet het Hoofd van het Hart. In Jezus, zijn liefde en wijsheid één; in Hem bestaat geen liefde zonder wijsheid en geen wijsheid zonder liefde. Bid met haar: “O Wijsheid van het H. Hoofd, leid mij op al uw wegen”, “O Liefde van het H. Hart, verteer mij met uw vuur”.

Over het verband met de liturgie nog een woord. Een gevleugeld woord loopt rond; laat alle devoties vallen voor de ene noodzakelijke: het liturgisch leven.

Er is in deze bewering een grote waarheid verborgen. Vele mensen leven niet meer met de gebeden en handelingen van de Kerk mee. Tijdens de H. Mis en toediening der Sacramenten weten ze niet wat er gebeurt, bidden litanieën, weesgegroeten, persoonlijke gebeden en luisteren niet naar de verlangens van de H. Geest, de evangelische waarheid, de bijbelse teksten en zielsverheffingen der psalmen. Velen vereren intussen de ene of andere heilige. Wij moeten zulke toestand betreuren, maar hierbij ook gedenken dat, wegens het latijn de liturgie voor velen een gesloten boek bleef; verder dat sommige zeer eenvoudigen tot iets beters nauwelijks in staat waren, tenzij door langzame opvoeding.

Als men nu de devoties afkeurt heeft men, in zekere zin gelijk. De liturgie is het gebed der Kerk, is het offer der Kerk, dit dient het eerst gevolgd en beleefd.

Maken wij echter een onderscheid tussen devoties. Er zijn er, die zich niet met Jezus’ Mensheid bezighouden, namelijk al de godsvruchten, die de heiligen, zelfs de Moeder Gods (1) tot voorwerp hebben, maar er zijn er ook die zich uitsluitend met de Persoon van Christus bezighouden, o.a. deze die wij hier uiteengezet hebben, verder dezen tot het H. Hart enz. Welnu, deze laatste kunnen niets anders – wanneer ze verstandig beoefend worden, en de Persoon van Jezus voor ogen hebben, – dan het liturgisch beleven ten goede komen, daar er geen enkel gebed of handeling voorkomt of er wordt naar Hem verwezen… naar Christus, onze Heer.

De liturgie wil ons juist met Jezus verenigen, om door Hem de H. Drieëenheid te vereren; wij moeten de offerande-priester als een andere Jezus zien; de schriftuurteksten aanhoren als komende uit Jezus’ mond, de sacramenten ontvangen als licht en kracht stralend uit Jezus’ Persoon en zo zijn deze godsvruchten voor Jezus’ Mensheid een hulp om de liturgie in haar volheid te beleven.

Zo zal dan juist door deze devotie tot het H. Hoofd, Zetel van de Wijsheid, een wijze manier ontstaan om de liturgie te beleven. Deze wijsheid wordt niet alleen in de lijdende Christus maar ook in de Verrezene, en daarin bij uitstek, beschouwd en vereerd.

(1) Het is mogelijk in vereniging met Maria het H. Misoffer op te dragen en bij te wonen, en deze manier is zelfs beter dan zonder Maria’s hulp. Men noeme dit in Gods’ naam geen “marianisme”. Zij stond toch naast het Kruisoffer.

 

 

Zevende Hoofdstuk: Oefeningen en Gebeden

 

I. Oefeningen

1. Het feest vieren van Jezus’ H. Hoofd

2. Het feest vieren van Christus Koning

3. Sinksenviering

4. De tweede maandelijkse communie

5. De Vrijdagviering

 

1). Het feest vieren van Jezus’ H. Hoofd

De Goddelijke Heiland heeft zelf de datum willen bepalen voor de viering van zijn Heilig Hoofd, Zetel van de Goddelijke Wijsheid.

Op 2 juni 1880, vroeg Hij aan Teresa of zij aan haar geestelijke leider namens Hem wilde zeggen, dat Hij een openbare eredienst verlangde voor zijn H. Hoofd en dat de vrijdag, de octaafdag van het H. Hartfeest, daartoe diende aangewezen. Op die dag moest Hem bijzonder eerherstel gebracht worden: “Ik verlang,” zei de Meester, “dat de devotie… nu bekend gemaakt worde; Ik wens dat de eerste vrijdag, na het Feest van mijn Heilig Hart gemaakt worde tot een afzonderlijke feestdag ter ere van het H. Hoofd, als zetel van de Goddelijke Wijsheid dat dan een openbare aanbidding Mij gebracht worde, als eerherstel voor de grofheden en de zonden, die aanhoudend tegen Mij worden bedreven” (1).

Dat Jezus de octaafdag uitkiest zal dus wel zijn om ons te doen begrijpen dat deze godsvrucht de voltooiing is van de devotie tot het H. Hart; langs het Hart naar het Hoofd en de gehele Godmens. Daarom vieren alle H. Hoofdvereerders deze dag met H. Mis, Biecht en Communie en aanbidding en zij doen wat in hun macht is op die dag, ook andere mensen over te halen hetzelfde te doen.

Men kan die dag ook een bedevaart inrichten naar een oord waar het H. Hoofd vereerd wordt, bijvoorbeeld het heiligdom van Bootle bij Liverpool.

Men versiere de beeltenis ten huize en men brenge de dag door in eerherstel voor de speciale zonden tegen de H.Wijsheid, namelijk de godloochening, de spot met het evangelie, de vrijdenkerij, de intellectuele hoogmoed, de valse leerstellingen. Men bidde voor de regeerders en staatshoofden, volksleiders en vorsten, opdat allen zich zouden onderwerpen aan de leiding van het evangelie.

 

 

2). Het feest vieren van Christus Koning

Innig in verband met deze godsvrucht staat de verering van Christus’ Koningschap. Het is immers de geestelijke adel en de Wijsheid van Jezus die Hem het gezag van Koning geeft over alle mensen.

Jezus is de opperste, edelste, wijste Mens. Zijn Koningschap is een uitvloeisel van zijn grote Wijsheid. Natuurlijk schakelen wij hier de andere redenen niet uit, welke de oorzaak van zijn koninklijke macht uitmaken zoals het recht op overwinning. “Waardig is het geslachtofferde Lam, de macht… te nemen (2) of de aanstelling van zijn Vader”… “Ik ben aangesteld als Koning op de Berg Sion” (3). Maar wij willen hier de bijzondere nadruk leggen op het feit dat het juist de Wijsheid is die Jezus tot Koning maakt. Hij is de eigenlijke Volksleider; Hij regelt ons leven; onze levensloop is in zijn handen en deze Vorst laat zich zelf leiden door de Heilige Geest.

Hij dwingt ons niet onder zijn heerschappij te leven, maar vraagt een vrijwillige onderwerping, een erkenning van zijn hogere regeringstalenten en een vrijwillig aanvaarden van zijn bevelen, omdat zij de beste zijn. Hij wil zodoende zijn onderdanen volledig bezitten. Hij wil geen uiterlijke onderwerping alleen maar ook een innerlijke: een van geest en zinnen, van hoofd en hart. Zijn eredienst is geen knechtschap, maar een meeregeren doordat Hij, bij een vrijwillige overgave van ons zelf, Zich zelf geheel en al aan ons mededeelt.

Dit is de betekenis van het Koningschap van Jezus voor de H. Hoofdvereerders.

3). Sinksenviering

In nauwe betrekking met elkaar staan Sinksen en H. Hoofdfeest omdat het gevierde mysterie identiek is.

Jezus noemt zijn verlichtende werking dezelfde als deze van de H. Geest, Hij zegt: “Ik ga en Ik kom bij U” (4). Hij gebruikt het woord IK om zichzelf en de H. Geest aan te duiden in hun werking. Jezus zegt dat Hij zelf die Geest zal zenden. Het blijkt dus volgens de Meester, dat de werking van Hem of van de H. Geest dezelfde is, vermits Hij als hetzelfde aanziet, dat Hij komt of de H. Geest.

Ook in de Kerk blijkt uit veel spreekwijzen, dat de werking van Jezus’ H. Hoofd identiek is aan deze van de H. Geest. Nu eens zeggen wij, dat Christus de Kerk van alle dwaalleer bewaart, dan weer dat door de H. Geest de Kerk geleid wordt. Jezus zegt: “Ik zal met U zijn tot aan het einde der eeuwen” (5) maar ook de H. Geest. De Personen verschillen, de werking van beiden is één en dezelfde.

Sinksen is dus ook de nederdaling van Jezus’ Heilige Wijsheid over de apostelen, zoals de Meester beloofd had: “Ik ga weg en kom bij U” wat zeggen wil: mijn Lichaam gaat heen maar mijn Ziel blijft bij U.

Daarom verlangen alle H. Hoofdvereerders naar een gedurige nederdaling van Jezus’ Geest over hen, een gedurig Pinksterfeest.

4). De tweede maandelijkse communie

Het gebruik van de maandelijkse Communie heeft stilaan de katholieke massa veroverd. Niemand aanziet het nog als iets nieuws dat een man of vrouw maandelijks communiceert; veel zielen vinden het zelfs weinig. Deze ommekeer van gedachten hebben alleszins de H. Hartbonden gebracht. Maar het betaamt als wij Jezus’ liefde vereren, dat wij ook zijn wijsheid niet vergeten. Velen zouden de staat van genade bewaren, hadden zij de moed de vrijdag of zondag, volgende op de H. Hartbond, nog eens te communiceren. Jezus verlangt juist de veelvuldige communie, opdat wij de staat van genade zouden bewaren en aangroeien in liefde. Waarom zou men dan geen tweede maal in de maand communiceren en als inzicht hebben de verering van Jezus’ H. Hoofd, Zetel der Wijsheid?

5). De Vrijdagviering

Sinds eeuwen hebben de beste leden van de Kerk een bijzondere godsvrucht behouden voor iedere vrijdag, omdat hij de dag is van Jezus’ dood. Naast de zondag is hij volgens de waardering van de Kerk, ook de bijzonderste dag, vermits wij hem moeten doorbrengen met vleesderven.

In de kloosterorden is de viering van de vrijdag behouden gebleven. Op die dag gaat men te biecht, doet men lijfkastijding, openbare schuldbekentenis, dit is; boetvaardige werken ter herinnering aan Jezus’ lijden. Men aanziet hem als een dag van boete.

De vurigste leden van de H. Hoofddevotie, zullen daarom die oude katholieke gewoonte in hun huisgezinnen doen herleven met de vrijdag te vieren. Het is op deze dag dat Jezus’ Wijsheid vooral heeft uitgeschenen, daar Hij het lijden en de dood verkozen heeft boven alle wereldse roem en eer en ons door die Wijsheid het eeuwige geluk gegeven heeft.

 

(1) Teresa Higginson, blz.114.

(2) Apoc.5,12.

(3) Ps.2,6.

(4) Joh.14,18.

(5) Matth.28,20.

 

 

II. Gebeden

 

1. Gebed uit het Boek der Wijsheid (hoofdstuk 9)

2. Vijf kleine gebeden uit de Schriftuur, voor de Wijsheid Gods

3. Zes Gebeden van Teresa Higginson tot het H. Hoofd

4. Andere gebeden

1). Gebed uit het Boek der Wijsheid (hoofdstuk 9)

God der vaderen barmhartige Heer,

die door Uw Woord het heelal hebt geschapen,

en door uw Wijsheid de mens hebt gevormd:

Opdat hij zou heersen over de schepping

heilig en rechtvaardig de wereld besturen

en rechtzinnig van hart zou regeren,

verleen mij de Wijsheid, die op uw troon is gezeten

en sluit mij niet buiten de kring van uw kinderen.

Ik ben toch uw dienstknecht, de zoon van uw dienstmaagd,

een mens vol zwakheid en kortstondig van leven,

en die weinig begrip heeft van recht en van wetten.

Ja, al is iemand ook de volmaaktste der mensen,

zonder uw Wijsheid geldt hij voor niets. (l)

Bij U toch is de Wijsheid, die uw werken kent,

en die tegenwoordig was, toen Gij de wereld schiept:

Die weet, wat behaaglijk is in uw ogen,

en wat recht is naar uw geboden.

Zend haar neer uit de heilige hemel,

en doe haar uitgaan van de troon uwer glorie:

Opdat zij mij ter zijde staat bij mijn werken,

en ik moge weten wat U behaagt.

Zij toch weet alles en begrijpt alles;

Zij zal mij beleidvol bij mijn daden besturen,

en mij beschermen door haar glorie

Dan zullen mijn werken behaaglijk zijn. (1)

Want wie van de mensen zou Gods wil kunnen kennen,

en wie achterhalen, wat de Heer verlangt?

De gedachten der stervelingen zijn immers weifelend,

en onze berekeningen onzeker.

Want het sterfelijke lichaam is een last voor de ziel,

en de aardse tent belemmert de geest bij het denken;

Nauwelijks bevroeden wij de dingen der aarde,

zelfs wat voor de hand ligt, verstaan wij met moeite.

Wie zal dan de dingen van de Hemel doorgronden,

Wie Uw wil kunnen kennen:

Als Gij geen wijsheid zoudt schenken,

niet van boven uw heilige Geest zoudt zenden?

Zo alleen vinden de bewoners der aarde rechte paden,

leren de mensen wat U welgevallig is.

En worden ze gered door uw Wijsheid.

(1) Wij lieten verzen 7 en 8 en 12b weg, omdat ze enkel op Salomon toepasselijk zijn.

 

 

2). Vijf kleine gebeden uit de Schriftuur, voor de Wijsheid Gods

 

1. Heer onze God,

Gij zijt goedertieren en waarachtig.

2. Gij zijt lankmoedig en vol ontferming bestuurt Gij het heelal.

Wij zijn van U; zondigen wij ook, wij erkennen uw macht!

Maar wij willen niet zondigen wetende dat we U toebehoren!

3. Want U kennen is volmaakte gerechtigheid

en uw macht beseffen

is de wortel der onsterfelijkheid (1).

4. Groot zijn uw oordelen, O Heer

en onuitsprekelijk uw besluiten (2)!

O afgrond van rijkdom en wijsheid en kennis van God!

Hoe ondoorgrondelijk zijn toch zijn raadsbesluiten,

hoe onnaspeurlijk Zijn Wegen.

Wie toch kent ‘s Heren gedacht of wie is zijn raadsman geweest (3)?

5. Waardig is het Lam dat geslacht is

macht te ontvangen, rijkdom en wijsheid, kracht, ere, glorie en lof (4)!

(1) Wijsh.15,1-3.

(2) Wijsh.17,1.

(3) Rom.2,33-34.

(4) Apoc.5,12.

 

 

3). Zes Gebeden van Teresa Higginson tot het H.Hoofd

 

1. Gebeden tot het H. Hoofd

 

O Wijsheid van het H. Hoofd, leid mij op al mijn wegen.

O Liefde van het H. Hart, verteer mij met uw vuur.

(100 dagen aflaat telkens. Richard, Archbishop of Liverpool, Aug. 2nd 1935)

Glorie zij de Vader, de Zoon en de H. Geest

gelijk het was in het begin, nu en altijd en in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

(Driemaal ter ere van de Goddelijke Wil, Verstand en Geheugen.)

O Zetel van goddelijke Wijsheid en leidende kracht, die alle bewegingen en liefde van het H. Hart bestuurt, mogen alle geesten U kennen, alle harten U beminnen en alle tongen U loven, nu en in alle eeuwen.

(Imprimatur N.N. Hendrickx, Vic. gen. Buscoduci, 5 febr. 1935)

Laten wij bidden, Allerliefste Jezus, leer mij edelmoedig te zijn, leer mij U te dienen gelijk Gij het verdient, te geven zonder de last te rekenen, te vechten zonder op wonden te letten, te zwoegen zonder naar rust te zoeken, te werken zonder naar loon te vragen, uitgezonderd dit enkele: te weten dat ik uw Wil doe, O mijn God. Amen.

2. Gebed ter ere van het H. Hoofd

 

Mijn Heer en mijn God, ik werp Mij voor U ootmoedig ter aarde neer en aanbid uw H. Hoofd, als Zetel van de goddelijke Wijsheid, als Schrijn van de krachten van uw allerheiligste Ziel en geestelijke vermogens, en als middelpunt van de vijf zintuigen van uw aanbiddelijk lichaam.

Wanneer ik in de diepten staar ven die bodemloze afgrond van Goedheid, Kracht en Wijsheid, die zulke ongehoorde wegen hebt uitgedacht en vastgesteld, waarop Gij uw oneindige liefde toont om uw uitgelezen gaven uit te storten, over mij uw kind, dan verlies ik mij in bewondering en verstomming.

Licht der Lichten, in wiens glorierijke stralen ik nieuwe mijnen van rijkdom zie in het H. Hart.

Zon van Rechtvaardigheid, in wier sterke gloed ik de brandende liefde gevoel, die het H. Hart verteert;

O Wil, die altijd deemoedig onderworpen waart aan uw hemelse Vader, bewaak mij in alle omstandigheden, zoals Gij al de genegenheden en bewegingen bestuurd hebt van het H. Hart van de mensgeworden God;

O Verstand, dat alle dingen kent, leid mij altijd door uw Licht.

O Geheugen, waarin het verledene, het heden en de toekomst in weerspiegeld staan, dat altijd met mij bezig is, en altijd schijnt te zoeken naar nieuwe wijzen om mij nieuwe gunsten toe te staan, dwing mij U meer en meer te beminnen.

Leer mij bij het klaarschijnend Licht van uw ogen, U in alles te zien, verleen mij, bij uw oren, die altijd open staan voor de gebeden van de noodlijdenden, dat ik altijd de stem van uw Kerk moge horen en luisteren naar uw heilige ingevingen, geef mij altijd liefde en smaak voor al wat rechtvaardig is en goed. Laat mij ondervinden hoe goed Gij zijt. Laat mij doortrokken zijn van de geur van uw deugden en voor altijd de diepe vreugde voelen U te zien, te beminnen, te loven, te zegenen en te verheerlijken.

O Vloed van Licht!

Afgrond van Rijkdom!

Oceaan van Goedheid!

Zee van medelijden!

Fontein van levende wateren!

Brand van liefde!

Bron van alle goed!

Aan U wijd ik mij toe met al wat ik ben en heb.

O Heilig Hoofd, Zetel van goddelijke Wijsheid, Tabernakel van God met de Mens; in U zie ik meteen een hemels en aards paradijs, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, het nieuwe Jeruzalem, dat van God uit de Hemel nederdaalt, bereid en versierd als een bruid, schitterend van Licht en glorie, in welk glinsterend kristal ik al de eigenschappen der Godheid weerkaatst zie, als in een zee van glas.

O Regenboog van vrede!

Brandend braambos!

Stapelplaats van Gods rijkdommen!

O onvergelijkelijke Parel!

Altijd brandende Lamp; nooit verminderend geluk; altijd schijnende zon!

O Levensboom, Leven en Licht van al die de uwen zijn, zegel der uitverkorenen!

O Wijsheid zonder begin noch einde; Kennis zonder band noch boei, Liefde zo groot dat wij ze nooit kunnen begrijpen! Tot U rijst mijn gebed op van liefde, eerherstel en dankzegging, van uit het H. Hart, waarin ik mij veilig gevoel. En ik smeek U mijn Jezus al de schatten van dit oneindige mysterie van liefde en rijkdom, te willen aanvaarden tot herstel van mijn onverschilligheid, ellende en armoede.

O Jezus, mijn allerliefste Jezus, ik bemin U veel meer dan ik kan uitspreken; Jezus mijn Bruidegom en mijn Schat, het grieft mij, dat Gij zo weinig gekend zijt en zo veel beledigd.

Jezus, mijn leven en mijn Licht, maak dat ieder verstand U moge kennen, alle harten U beminnen, alle tongen U loven, nu en in alle eeuwigheid. Amen.

3. Gebed tot de Ziel van Jezus, bedroefd tot de dood

 

Gedenk, o zeer bedroefde Ziel van mijn Jezus, de verschrikkelijke doodstrijd die Gij ondergaan hebt, toen Gij gedompeld in de diepten van de rechtvaardigheid en de gramschap van uw Vader, uitriep: “Vader, indien het mogelijk is, laat deze bittere kelk aan Mij voorbijgaan; nochtans niet mijn wil, maar de Uwe geschiede!” En wanneer overweldigd door de diepste droefheid, Gij geklaagd hebt dat uw Ziel tot de dood toe bedroefd was, en Gij in doodstrijd waart, stervende en van iedereen verlaten, zelfs van uw eigen eeuwige Vader, deze woorden vol wondere geheimenis uit uw hart worden ontwrongen “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?“

Gedenk de verzuchtingen, de weeklachten, de zielevrees, de doodstrijd van uw Geest, het breken van uw minnelijk Hart. Gedenk de vele striemen, de zweepslagen, de beledigingen, de verwensingen, de doornen, het bloed, de tranen, het afrukken van uw klederen, de schaamte, de gebeden en de scheiding van uw heilige Ziel van uw aanbiddelijk Lichaam.

Gedenk de wijsheid van uw heilig Hoofd, die zo een lijden verlangde en ons de liefde van uw Heilig Hart voor de zielen van uw kinderen wilde bewijzen. Gedenk ook wat Maria geleden heeft. Gedenk de prijs die ik aan U gekost heb en wanneer Gij al deze vreselijke folteringen overziet, heb medelijden, ontferm U over mijn ziel, en vergeef mij door uw kostbaar Bloed.

Waarom, o mijn gekruisigde en beminde Jezus, verkeert zo menige ziel in de duisternis van de zonde? Zijt Gij niet de almachtige God, de God van Wijsheid, Wetenschap en Licht? Zijt Gij niet onze Schepper, onze Verlosser, onze heiliging, onze heilige en sterke God? Waarom is onze en ook uw vijand zo stoutmoedig?

O Heer, door uw liefde voor de zielen, door de prijs die wij U gekost hebben, door de glorie van uw heilige Naam; sta op en toon dat Gij de levende God zijt. Verdrijf elke duisternis door het licht van uw goddelijke Wijsheid; roei elke dwaling uit, door de verspreiding van uw leer en de schoonheid van het Ene en het Heilige, Katholieke en Apostolische geloof over alle naties. Verteer alle harten door het brandend vuur van uw Liefde. Trek alle zielen naar uw Ziel, opdat wij U hier mogen troosten en sterken met te wenen over de zonde die de oorzaak is van uw diepe smart.

Verberg ons, lieve Jezus, in uw wonden, laat onze zielen baden in uw allerkostbaarste Bloed. Prent uw heilig Hoofd en Heilig aanschijn diep in ons hart en onze ziel, opdat wij U nooit mogen vergeten noch het verdriet, dat wij U aangedaan hebben. Gedenk ons, O Heer, in uw Koninkrijk; schenk ons hier vergiffenis en vrede en hiernamaals het eeuwig geluk.

Laat ons bij U verblijven, o Jezus, en in uw smarten, opdat wij waardig mogen bevonden worden voor eeuwig bij de Vader en de H. Geest te verblijven, één God in drie Personen, in alle eeuwigheid. Jezus, Maria, Jozef. Amen.

4. Memorare tot de goddelijke Ziel

 

Gedenk, o allerheiligste Ziel van mijn Jezus, al wat Gij gedaan en geleden hebt voor mijn ziel en laat ze niet verloren gaan. Ik smeek U door de angst, welke uw beste hartebloed uit uw aderen perste en ik bezweer U mijn ziel en die der arme zondaars te baden in de kostbare stroom, die neervloeide in rode druppels op de grond.

Gedenk de diepe en grenzeloze liefde, die Gij mij getoond hebt en stoot van U de ziel niet weg, die, bezwijkend onder het gewicht van haar ellende en verdriet, naar U terugkeert. Heb medelijden met haar zwakheid; zie de gevaren die haar omringen en al het kwaad, waarom zij zucht en waarvan zij gruwt.

Vol liefde en geloof, komt zij tot U, o tederste en meest medelijdende aller zielen, ontvang haar in uw ontferming en goedheid, doe haar de uitwerkingen gevoelen van uw allervolste verlossing en de overmaat van uw brandende liefde. Toon U zelf haar voorspreker bij uw hemelse Vader, in de naam van al uw verdiensten, uw vernederingen, uw lijden en verleen haar ten slotte in al haar strijd, de genade om U te beminnen en te troosten en U te bedanken in alle eeuwigheid. Amen.

Ziel van Jezus, bedroefd tot de dood toe, mocht ik U vertroosten in uw bittere angst en verdriet.

N.B. Deze vier gebeden komen voor in een devotieschrift uitgegeven bij Orphans’ Press, Rochdale met imprimatur van de Bisschop van Liverpool. Imprimatur Jacobus Canonicus Carr. Pro Episcopo Liverpolitano.

 

5. Zielsroerende bede van Teresa ter uitbreiding van de devotie

 

Maak bekend, o Heer, uw verlangen, om uw H. Hoofd vereerd te zien als de Zetel van de goddelijke Wijsheid en om troost te krijgen voor uw dodelijk beproefde Ziel. Wek medelijden, o Heer, mijn God, in de ziel van iemand, die in staat is iets uit te richten. Sta op en toon dat Gij de almachtige God zijt. Doet het brandend verlangen van uw H. Hart kennen. Haast U, o God, in uw eigen belang. Talm toch zo niet, ik bezweer het U bij uw allerkostbaarste Bloed en uw bitter lijden. U, o eeuwige, gezegende Drieëenheid, smeek ik bij de heilige naam van Jezus, voor de eer van die Zetel van goddelijke Wijsheid zelf en bij de brandende liefde van zijn H. Hart; ik smeek U in naam van Maria en Jozef, omwille van het eeuwig welzijn van de zielen: maak deze devotie bekend en verspreid ze: O Heer Gij weet, hoe innig ik verlang U te voldoen; maar ook weet Ge, hoe zwak en hulpeloos ik ben en hoe weinig er nog gebeurd is. Spreek Heer en zeg wat Ge wilt dat we doen (1)?

(1) Cfr. Teresa Higginson, blz.128.

6. Andere gebeden van Teresa voor de verspreiding

 

O Zetel van goddelijke Wijsheid, o leidende macht, die alle aandoeningen en de liefde van het H. Hart regelt en beheerst, mochten alle geesten U kennen, alle harten U liefhebben, alle tongen U nu en in eeuwigheid prijzen. In waarheid zijt Gij het Licht, dat in de duisternis schijnt, de hoogte en diepte van alle kennis, want alles bestaat slechts in U. O mijn Heer en mijn God, ik bezweer U bij al het kostbaar Bloed, door U vergoten, bij alle leed en angst, in uw Mensheid op U genomen: verhaast o Heer de dag, dat wij allen een blik mogen slaan in de diepten van uw goddelijke wijsheid en onuitsprekelijke liefde, en dat voor ons reeds hier die onmetelijke zaligheid moge beginnen, van te schouwen in het aanschijn, dat de vreugde van de engelen en heiligen is en waarin ook wij hopen voor eeuwig onze vreugde te vinden.

O Licht en Liefde, kom spoedig en blus het woedende vuur, dat heel mijn wezen verteert; kom, voer Uw Wil en mijn enig verlangen uit! O Heer, wacht niet langer meer! O Gij, die in het begin spraakt; er zij licht en het was er, spreek ook nu, o almachtige God, en maak, dat dit onfeilbaar Licht zich steeds verder verspreide, dat de schitterende stralen van de zon onze geesten en harten mogen verlichten. Toon, o Heer, zo dit uw heilige Wil is, dat Gij de levende en ware God zijt.

O Maria, bij al de liefde en de eerbied, door U bewezen aan de Zetel van de goddelijke Wijsheid, waarvoor de Cherubijnen en Serafijnen vol ontzag en bevend van eerbied en liefde, in aanbidding liggen, en die Gij toch zo dikwijls aan uw heilig Hart hebt gedrukt en koesterd aan uw borst… O Maria en Jozef, alle koren van engelen en schitterende scharen van heiligen, heft nu uw geest, uw hart en handen op naar de aanbiddelijke Drieëenheid en smeekt de Heilige der Heiligen, te zien naar deze warme, rode druppels van onschatbare waarde, naar het kostbaar Bloed van Jezus.

O Heiligen, die aan de wet der goddelijke Wijsheid hebt gehoor gegeven, bezweert Hem nu bij zijn gehoorzaamheid tot de dood toe, bij alle Wijsheid en Liefde, die Hij zijn schepselen heeft getoond, ten einde dat Licht te doen opgaan en over heel de aardbodem te verspreiden. Waar zouden wij zijn, zo wij het aanschijn niet hadden gekregen van zijn oneindige Wijsheid en Liefde? In het niet, waaruit Hij alle dingen te voorschijn riep? Laat dan ook al wat bestaat die Wijsheid erkennen, prijzen, zegenen en liefhebben en het Heilig Hoofd aanbidden als de Zetel ervan.

Niet mijn wil, maar de Uwe geschiede. Ik wil zeggen: ik berust er in, te wachten zolang het U behaagt, maar o God, Gij weet hoe het vuur in me brandt; Gij weet alles: mijn liefde en mijn verlangens zijn voor U niet verborgen (1)!

(1) Teresa Higginson, blz.131-132.

4). Andere gebeden

 

1. Heilig Hoofd van Jezus

O Heilig Hoofd van Jezus, Zetel van de Goddelijke Wijsheid, die alle bewegingen en gevoelens van het H. Hart geregeld, ingegeven en geleid hebt, leidt Gij ook al mijn gedachten, woorden en daden. Zoals Gij het beloofd hebt, wees het middel tegen de kwalen van onze tijd; de geestelijke hoogmoed en het ongeloof in God. Door Uw smarten, door de doornenkroon die uw hoofd verscheurd heeft, door de slagen, het bloed, de beledigingen waarmee Gij overstelpt werd, alsook door de liefde, die het Onbevlekt Hart van Maria, Uw Heilige Moeder, betoonde, mocht Gij worden aanbeden, verheerlijkt en geëerd, zohaast en op een zo volmaakte en algemene wijze mogelijk, volgens de raadsbesluiten van uw Goddelijke Voorzienigheid tot glorie van God, tot heil van de zielen, tot de inzichten van het H. Hart, tot het volbrengen van de Goddelijke Wil en het zo brandend verlangen dat Gij uitgedrukt hebt. Amen.

(Nihil Obstat: Blondiau L.G., Namen, 7 juni 1934. Imprimatur: A. Collard, Vic. Gen. Namen, 13 juni 1934.)

2. Gebed om de zaligverklaring van Teresa Higginson te verkrijgen

 

O Jezus, door Uw bitter lijden, verborgen God, door Uw vurige liefde tot de mensen in het Allerheiligste Sacrament van het Altaar, met nederigheid smeken wij U ons te verlenen, dat, indien het tot uw meerdere eer en glorie en tot het welzijn van de zielen weze, de kroon der gelukzaligen weldra moge schitteren op het hoofd van Teresa Higginson, uw dienares. Amen.

(Imprimatur Fredericus Gul. Archiepiscopus Liverpol., 13 april 1927. Imprimatur Cum consensu superiorum, Mechliniae, 28 april 1934, J. Naulaerts, C.L.C.)

3. Groet aan het Heilig Hoofd

 

O Oceaan van Licht, o ondoorgrondelijke grootheid van wetenschap en kennis, wij aanbidden U, Wijsheid van de Godmens, wij buigen ons tot op de grond voor U, die Uw verblijf hebt willen kiezen in het Heilig Hoofd van Jezus, wij verheugen ons, omdat de Vader het mensdom zo vereerd heeft, wij verheugen ons omdat Gij onze Leider zijt en wij in vol vertrouwen ons kunnen overgeven aan uw zacht en sterk beleid.

Wees gegroet, o Heilig Hoofd van Jezus,

Wees gegroet, o aanbiddelijk Gelaat,

Wees gegroet, o alwetende ogen,

Wees gegroet, o heilig verstand, geheugen en wil!

Mochten wij U steeds beter leren kennen, om ons beter te onderwerpen, meer naar U opzien, om U meer te aanbidden, liefdevoller U beschouwen, om des te meer in U te vertrouwen en eindelijk ons helemaal aan U overgeven, om U geheel te kunnen navolgen.

 

 

Achtste Hoofdstuk: De Godsvrucht tot het H. Hoofd en de overige Godsvruchten

 

 

I. De Godsvrucht tot het H. Hoofd is de kern en ook het doel van al de andere godsvruchten.

 

Zo men de geschiedenis van de Christusbeschouwing van de ganse Kerkgemeenschap moest opmaken dan zou men tot de slotsom komen dat de Kerk steeds dieper in de Persoon van Christus ingedrongen is. De godsvrucht richtte zich eerst tot meer uiterlijke dingen in Christus.

Zo vormt lange tijd het uitwendige lijden van Jezus het voorwerp van de beschouwing. Dezen hechten zich aan de vijf wonden, genen aan de schouderwonde, de enen vinden gading in de pijnen van de hoofdwonden en de anderen in de steek van de lans. In de middeleeuwen ontstaat een verering van de relikwieën meegebracht door de kruisvaarders: zo vereert men het H. Bloed te Brugge, het heilige kleed te Trier, de H. Lijkwade te Turijn, enz…, nochtans ligt in al deze devoties reeds de godsvrucht van het H. Hoofd ingesloten, vermits men steeds in laatste instantie opziet naar de Persoon van Jezus en zijn heilige Wijsheid, die de lichamelijke smarten heeft willen dragen (1). De vijf wonden immers zijn gedragen en uitgestaan door een Mens die het zo goed vond, de schouderwonde werd toegebracht aan een gevoelige denkende Mens, het H. Bloed wordt vereerd omdat het behoort tot het lichaam van de Meester. Wij mogen dus gerust zeggen dat de kern van deze godsvruchten, de Persoon zelf van Jezus is in zijn Wijsheid en Liefde, beschouwd in één van zijn uiterlijke kanten, lichamelijke wonden of lijden.

Bij het begin van de nieuwe tijden gaat de beschouwing verder en dringt steeds dieper door in de Persoon van Jezus. Maria Margaretha Alacoque treedt binnen in het Hart langs de wonde van de zijde; en nu ontstaat een meer naar het innerlijke gerichte godsvrucht. Jezus’ liefde wordt het voorwerp der beschouwing. Men zoekt ten allen kanten in het evangelie de bewijzen van zijn menselijke liefde. Nog nooit is Hij aan de Kerk zo schoon verschenen wanneer Hij zelf met het hart op de hand tot zijn vertrouwelinge zei: “Ziehier het hart dat de mens zo zeer bernind heeft”.

De H. Eudes beschouwt vervolgens de Eucharistie en H. Hart tezamen en daar de Eucharistie de grootste uiting is van Jezus’ liefde, zal hij deze twee werkelijkheden niet scheiden. Voor hem is het Hart, het eucharistische Hart; want zo het waarlijk in het tabernakel verblijft, dan is er een menselijk hart bij ons. Het woont onder ons. Wat een heerlijke godsvrucht! Zij die bij het Tabernakel wonen, wonen samen bij het Hart, dat de mensen zozeer bemind heeft.

Maar verder gaat de beschouwende geest van de Kerk. De Eerbiedwaardige Heer Ollier meent, dat de liefde zeker de edelste neiging van ‘s mensen hart uitmaakt, maar dat zij een hartstocht is van de ziel. Beschouwen wij dus bij voorkeur de gehele Ziel van Jezus. Beschouwen wij zijn inwendig leven, al zijn gesteltenissen en gevoelens: godsdienst jegens de Vader, liefde voor de evennaaste, volkomen zelfvergeten, afschuw voor de zonde en veroordeling van de wereld en haar stellingen.

Er bleef ten slotte nog een punt van Jezus’ innerlijke over, namelijk, dat wij zijn H. Hoofd zouden gaan beschouwen als zetel van zijn Wijsheid, dat wij zijn menselijk verstand en rede zouden aanbidden en het gebruik, dat Hij ervan gemaakt heeft zouden vereren en navolgen (2).

Is dat nu een nieuwe devotie? Neen, ze ligt reeds in de andere besloten. De Eerbiedwaardige Heer Ollier bezat ze, Maria Margaretha bezat ze, alle heiligen bezaten ze, doch niet expliciet. Immers hun godsvrucht ging naar de Persoon van de Meester en zijn H. Wijsheid, zij ging niet naar een deel, afgezien van de gehele Jezus, maar zij ging naar een deel om tot de gehele Jezus te geraken.

Uit dit blijkt dat de H. Hoofddevotie niet op zichzelf alleen staat, maar de “hoofdzakelijke devotie” is die al de andere begrijpelijk maakt en aan al de andere zin en betekenis geeft.

 

Als wij dus nadruk leggen op deze nieuwe kant van Jezus’ Persoon, dan is het omdat het de Meester allereerst zo wil; niet om een nieuwigheid in de Kerk te brengen, want zij bestond reeds van haar begin, toen de Heilige Moeder Gods zich verwonderde in haar derde wee over zijn Wijsheid en Hem aanhad en zich er aan onderwierp, maar ook om aan de vele zielen de gelegenheid te geven de Meester beter te leren kennen in een nieuw uitzicht, een klaardere kant, zodat Hij weer des te beminnelijker zal voorkomen en misschien heel hun leven zal vervullen.

 

(1) Hiermede willen wij niet zeggen dat alléén de H. Hoofddevotie, de Persoon van Jezus als voorwerp heeft en de andere niet, maar dat zij meer dan welke ook, de Persoon van Jezus vereert, omdat haar voorwerp, de H. Wijsheid, een kenschetsende en dichtst bij de Persoon van Christus staande eigenschap is.

(2) Niet de ziel als dusdanig, maar de ziel in haar vermogens.

 

 

II. H. Hoofddevotie en H. Aanschijn. Onderscheid, aanvulling, bekroning.

De oorzaak van een mogelijke verwarring ligt hierin, dat de voorstelling van beide godsvruchten, ttz. het stoffelijk voorwerp een en hetzelfde is. Het H. Aanschijn kan niet afgescheiden worden van het H. Hoofd en hoe ook het H. Hoofd worde voorgesteld, het H. Aanschijn zal er altijd op zichtbaar zijn. De voorstelling kan dus voor beiden dezelfde zijn.

Maar beide godsvruchten verschillen van eigenlijk voorwerp en doel. Het formeel voorwerp van de H. Aanschijndevotie is de beschouwing van de innerlijke en uiterlijke smarten van dit goddelijke Hoofd, en het doel ervan is eerherstel te brengen, om de oorzaak dier smarten, de zonde. Het eigenlijke voorwerp van de H. Hoofddevotie daarentegen, zijn niet zozeer de smarten, maar de goddelijke Wijsheid, en het doel is deze te vereren, na te volgen en bidden dat ze gekend weze (1).

Dat men niet denke, dat wij daarmee de smarten van Jezus wegcijferen; neen, maar door de H. Hoofddevotie te verspreiden, willen wij enkel meer nadruk leggen op een kant van Jezus, die tot hiertoe niet genoeg beschouwd werd. Wij willen de Meester niet indelen en als wij zijn H. Hoofd beschouwen, verplichten wij de zielen niet enkel en alleen aan zijn wijsheid te denken. Onze geest zal zich ook noodzakelijk bij wijlen naar zijn smarten richten.

Wij willen echter doen uitkomen dat die smarten beter zullen ingezien worden in het licht van de godsvrucht tot het H. Hoofd; daar wij zullen aanvoelen, waarom de Meester dit alles heeft willen lijden. Wij zullen onder andere begrijpen dat Hij een kroon van doornen boven een gouden kroon verkoos, omdat zijn Koninkrijk niet van deze wereld was en Hij liever wilde dienen dan heersen; wij zullen begrijpen waarom Hij zich liet slaan en bespuwen, omdat het wijzer is vervolgd te worden om de rechtvaardigheid en daardoor een overgroot loon te bekomen, dan vereerd en geacht te zijn en de wereld te bezitten.

In het licht van zijn Wijsheid zullen wij begrijpen, dat het beter is al die lichamelijke smarten te verdragen, dan voor eeuwig verloren te gaan, dat het beter is een korte tijd op de wereld te lijden dan een eeuwigheid in het helse vuur.

Degenen die de Wijsheid van Jezus vereren, mogen zijn smarten in het geheel niet uit het oog verliezen, want dan zouden zij Jezus waarlijk in delen trekken. Beschouwen wij de Heiland niet eenzijdig maar heel zijn Persoon, maar ook in zijn Wijsheid, omdat zij de bron is van alle verder begrijpen en beminnen.

Wij moeten de verhouding tussen al deze godsvruchten als volgt verstaan. Een diamant heeft veel facetten; welnu de goddelijke Meester is te vergelijken aan een kostbare diamant, waarin

menigvuldige kleuren kunnen beschouwd worden. Laten wij ons niet, bij een punt alleen houden om al het overige te vergeten, maar gebruiken wij dat ene punt om al de andere kanten beter te vatten.

(1) Zie; ‘Schema waaruit men het verschil kan opmaken tussen drie godsvruchten van onze tijd; H. Hart, H. Aanschijn en H. Hoofd’. Dit schema kunt u hier vinden:https://teresahigginson.wordpress.com/2012/12/12/schema-hoofdstuk-8

 

 

III. H. Hoofddevotie en de H. Ziel van Jezus.

Zoals wij reeds vroeger zeiden, hebben veel zielen in de laatste eeuw zich toegelegd op de verering van Jezus’ Ziel. De Eerbiedwaarde Heer Ollier haalde deze godsvrucht uit een diepere beschouwing van de H. Hartdevotie.

De godsvrucht tot Jezus’ H. Ziel, die reeds in kiem in deze van het H. Hart besloten lag, maar die vooral in St. Sulpice beoefend werd bestaat in de beschouwing van Jezus inwendig leven: in zijn gesteltenissen namelijk, tegenover de Vader, de evenmens en de wereld.

Zo schreef de Eerbiedwaardige: “Welk hart, het Hart van Jezus! O overvloedige en onuitsprekelijke bron van liefde! O diepe en altijd volle afgrond van alle deugd…” en wat verder, verzonken in de beschouwing van al die verschillende deugden: “O Jezus laat mij Uw gezegende Ziel aanbidden…” (1).

Deze godsvrucht is dus alomvattender dan deze van het H. Hart. Ook aan Teresa Higginson klaagde Jezus dat zijn H. Ziel niet genoeg gekend was en vroeg Hij vertroosters.

Welnu deze godsvrucht schijnt het middenstuk te zijn tussen de H. Hart- en de H. Hoofddevotie. Immers alle deugden die wij in de Ziel van Jezus beschouwen en waarvan de liefde de hoogste en bijzonderste is, zijn zo wondervol-schoon en af-grondelijk-diep omdat zij juist onder de leiding en de richting staan van de Wijsheid Gods.

De H. Hoofddevotie, wel beoefent, geeft dus een beter begrip ook van de H. Ziel van Jezus, zij is er ook weer de bekroning van.

Verre van onze blikken af te wenden van Jezus’ H. Ziel, zullen wij steeds de Ziel omkranst en doorgloeid zien van zijn glorierijke Wijsheid; wij zullen ieder van haar aandoeningen, kennissen en alle akten van haar liefde, bewondering, lofprijzing en dankbaarheid geregeld zien door de Wijsheid en zoals wij vroeger zeiden haar onderworpen zien aan haar centrum.

(1) Esprit de H. Ollier, tom.I,193.

IV. De H. Hoofddevotie en de godsvrucht tot de H. Geest.

Het zal reeds opgevallen zijn dat er een innig verband moet bestaan tussen deze twee godsvruchten. Immers de menselijke Wijsheid van Jezus is geheel en al gelijkende op de H. Geest; zij staat onder zijn werking en ontvangt er haar volheid van.

In Jezus’ Ziel immers heeft de H. Geest zijn volle werking kunnen uitoefenen van Levendmaker. Een ziel die zo gehoorzaam is geweest aan haar minste toetsen en beroeringen, moet ook een evenbeeld zijn van haar bewerker. Jezus’ menselijke Wijsheid is daarom een sprekend en zuiver afbeeldsel van de H. Geest.

Nochtans blijft tussen Jezus’ menselijke Wijsheid en de Wijsheid van de H. Geest steeds de afstand bestaan van het schepsel tot de Godheid, van de geschapen wijsheid tot de ongeschapene.

Maar er is ook nog het volgende. De H. Geest is de Levendmaker en Hem wordt de zaligmaking van de zielen toegeschreven en aan Jezus’ menselijke Geest is ook gegeven, het licht te zijn van de mensen en de verlossing van eenieder te bewerken door instroming van zijn verlichtende genade.

Er is dus innige samenwerking tussen de H. Geest en Jezus’ H. Hoofd; beiden werken aan onze zaligheid. Wij worden door de H. Geest zalig gemaakt bij middel van Jezus’ leer; Wijsheid, die de H. Geest Gods eerst in Jezus’ Ziel, onze middelaar, in haar volheid heeft neergegoten en van daaruit in alle zielen wil binnenbrengen, want er staat; uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen” (Joh.1,16).

Vraagt men dan waarom het nu juist de H. Geest is, die de Levendmaker en Levengever is, dan antwoorden wij: omdat alle werking die van Jezus’ Mensheid uitgaat, over ons, zijn ledematen, een werking is van de oneindige liefde van God, welnu dan is het vooral een werking van de Geest Gods, die de persoonlijke liefde is tussen de Vader en de Zoon.

Deze twee godsvruchten horen dus samen en het werk van God de H. Geest zal klaarder worden ingezien, wanneer men het ziet gebeuren langs het prisma heen van Jezus’ menselijke Wijsheid; als men moet besluiten, dat ook het werk van de H. Geest een heerlijk menselijk werk is, daar Hij een Mens gebruikt om ons zijn goddelijk leven mee te delen.

De Wijsheid die Jezus ons dus zendt, is dezelfde als deze van de H. Geest; want Jezus heeft ze van Hem ontvangen en nu klaren de woorden op: “Ik ga heen en ik kom bij U terug” en “Ik zal de Geest zenden”. Jezus zal langs zijn verloste mensheid de Geest neerzenden op zijn volgelingen. Hij beschikt dus over de genadewerking van de H. Geest, vermits Hij Hem zenden zal, zegt Hij. “Best is het voor u dat Ik heenga. Want als Ik niet heenging, zou de Helper niet komen; doch indien Ik ga zal Ik Hem tot u zenden (Joh.16,7).

Zo zal een welbegrepen godsvrucht tot het H. Hoofd opstijgen tot de godsvrucht tot de H. Geest.

V. H. Hoofddevotie in verband met de ware godsvrucht tot Maria.

 

Onder de geschriften van de Heilige Louis-Marie Grignion de Montfort treffen wij een verhandeling aan over “De liefde tot de goddelijke Wijsheid”. Daarin onderscheidt de grote apostel van Bretagne twee onderwerpen: de liefde tot de eeuwige ongeschapen Wijsheid en deze tot de mensgeworden Wijsheid. Deze bladzijden zijn van de schoonste die ooit over ons onderwerp geschreven werden en daaruit blijkt dat de heilige man reeds een grote godsvrucht bezat tot Jezus’ Wijsheid, alhoewel hij de zetel van de wijsheid, het H. Hoofd, niet vernoemt. Wij kunnen aan onze lezers niets beters aanprijzen dan dit boek te lezen en te doorgronden.

Volgens zijn lering (1) schiep zich de goddelijke Wijsheid een eerste huis en dat was Maria; en Zij schonk aan Maria al de genaden, die de eerste mens en geheel diens nakomelingschap van Haar vrijgevigheid zouden bekomen hebben, indien ze het pad der gerechtigheid niet hadden verloren. Maria ontving op veertien-en-half jarige leeftijd van de eeuwige Wijsheid een zo grote vermeerdering van genaden en toonde zulk een volmaakte getrouwheid aan haar liefde, dat Ze daardoor niet slechts de engelen naar ook God in verrukking bracht. Haar diepe zichzelf vernietigende nederigheid bekoort Hem, haar heilige zuiverheid trekt Hem aan, haar levendig geloof en voortdurend gebed dwingen Hem; de Wijsheid is op liefdevolle wijze overwonnen door zulk liefdevol zoeken…

Merk op dat op het ogenblik, dat Maria er in toestemt Moeder Gods te worden, verschillende wonderen geschieden. De Geest vormt uit het zuiverste bloed van Maria’s hart een menselijk lichaam en bewerktuigt het op de volmaaktste wijze: God schept de volmaaktste Ziel die Hij ooit geschapen had; de eeuwige Wijsheid of de Zoon Gods verenigt zich in eenheid van Persoon met dit lichaam en deze Ziel; dit is het grote wonder van Hemel en aarde: het Woord is vlees geworden, de eeuwige Wijsheid is vlees, God zelf is mens geworden, zonder op te houden God te zijn.

En zie nu, de reden van ons kindschap van Maria, de reden waarom Maria waarlijk onze Moeder is, ligt hierin, dat Zij die het hoofd (2) gebaard heeft ook de ledematen heeft voortgebracht.

 

Omdat wij zo innig verenigd zijn met het hoofd, is het onmogelijk dat, zo Maria Moeder Gods wordt geheten, Zij ook niet Moeder der mensen zou genoemd worden en het waarlijk zijn. Daarom heet Zij de zetel der Wijsheid en de Moeder der Wijsheid.

Als zij dan de eerste is geweest en het middel waardoor de Wijsheid tot ons is gekomen, dan is ook Maria onze Lerares in de godsvrucht tot de H. Wijsheid. Zij kent best zijn hemelse Wijsheid, die er 33 jaar getuige is van geweest; die de meest volle mededelingen ervan ontving, die ook alle genaden, die uit Jezus over de wereld stromen, bekwarn, beheert en bedeelt.

En deze waarheid, dat zij onze lerares is, bevestigt ons de Montfort zelf, wanneer hij als vierde middel om de goddelijke Wijsheid te bekomen, voorhoudt: een ware godsvrucht te hebben tot Maria. Ziehier de redenen:

Ten eerste omdat Maria de waardige Moeder is der Wijsheid; wie derhalve de vrucht wil hebben in zijn hart, moet ook de boom bezitten.

Ten tweede: omdat zij de Meesteres is van de goddelijke Wijsheid, niet dat “zij er boven verheven is, maar omdat de eeuwige Wijsheid zich aan haar heeft willen onderwerpen en haar een macht over Hem gegeven heeft, niet alleen op de aarde naar ook in de Hemel. Hoe gelukkig is dus de ziel, zegt hij, die zich in Maria’s gunst mag verheugen. Zij mag er zich van verzekerd houden, spoedig de wijsheid te zullen bezitten; want daar Zij bemint die Haar beminnen, deelt Zij hun met volle handen haar goederen mede, waarin al het andere ligt opgesloten; Jezus de vrucht van haar Lichaam.

Ten derde: omdat zij de troon van de eeuwige Wijsheid is. In haar toont Deze haar grootheid, stelt zij haar schatten uit, en stelt zij haar welbehagen, en er is geen plaats in de Hemel en op aarde, waar de eeuwige Wijsheid zoveel pracht ten toon spreidt en waarop ze met zoveel welbehagen neerziet, als de onvergetelijke Maria. Door Maria alleen kan men, ten minste op gemakkelijke en veilige wijze de Wijsheid verwerven; want terwijl zij zichzelf aan ons schenkt, zal zij tegelijkertijd haar zoon geven die in Haar verwijlt als op een glorietroon.

Maria is de heilige magneet, die, waar zij zich ook bevindt, de Wijsheid zo sterk aantrekt, dat deze geen weerstand kan bieden. Heeft Maria zich eenmaal bij ons gevestigd, dan zullen wij gemakkelijk en in korte tijd de Wijsheid bezitten; al zouden wij zelf al ons bloed vergieten om de goddelijke Wijsheid te verkrijgen; indien wij de voorspraak van de H. Maagd en de godsvrucht tot haar misten, zouden al deze pogingen tevergeefs zijn.

Maar spreekt Maria een woord voor ons, hebben wij haar lief, behoren wij tot het getal van haar trouwe dienaars, die haar wegen volgen, dan zullen wij weldra en met weinig moeite in het bezit der goddelijke Wijsheid geraken.

Ziedaar de leer van de Montfort en hij besluit met deze stelregel, die wij ook tot de onze maken: dat men geen leerling der Wijsheid is, wanneer men geen kind is van Maria.

Zo wij de ware godsvrucht goed beoefenen voegt hij er nog aan toe, trekken wij de mensgeworden Wijsheid in de ziel af en wat meer is, wij bewaren ze tot de dood toe; want wat baat het ze eenmaal bezeten te hebben, als wij ze zouden verliezen zoals Salomon. Wezen wij dan wijzer en stellen wij heel onze persoon met al wat wij hebben in de handen van Maria; bij haar moeten wij niet vrezen valse wijzen te zijn, daar leren wij onszelf wantrouwen en alles aan haar overlaten.

En hij besluit zijn boek met de akt van toewijding van de ziel aan de goddelijke Wijsheid, die wij ten zeerste aan alle vereerders van het H.Hoofd aanbevelen.

(1) Zal. L. M. Grignion de Montfort, De liefde tot de Goddelijke Wijsheid, blz.103, sa. Paters Montfortanen, Leuven.

(2) Het woord “hoofd” wordt hier in de zin van “eerste”, “eerstgeborene”, “overste” gebruikt.

 

 

VI. Voor hen die een houvast zoeken.

 

Voor een aandachtige lezer, die de H. Hoofddevotie gevolgd heeft zoals zij hier beschreven staat, zal het opgevallen zijn, dat het Jezus’ wil is, dat men zich een evangelische geestesgesteltenis aankweekt, waaruit verder een evangelisch leven zal volgen. Waar zal men die gesteltenis gaan opdoen? Bestaan er mensen of kringen of een vereniging waar hij die geest kan vinden? Ja, beide zijn er. Sinds 700 jaar bestaat er een leerschool van evangelisch leven. Zeventig Pausen hebben haar aangeprezen en zij heeft rond de negentig heiligen en gelukzaligen voortgebracht. En deze leerschool van volmaaktheid is voor leken bedacht in de wereld. Ook Teresa Higginson heeft ze gevonden en is in die school de evangelische geestesgesteltenis gaan leren. Wij bedoelen de Derde Orde van St. Franciscus.

In 1885 werd zij derde-ordelinge. Tot dan toe was zij kind van Maria. Voor het eerst maakt zij melding van haar godsvrucht in het jaar 1879. Zij beleeft het toppunt der volrnaaktheid, namelijk het mystiek huwelijk – de allerhoogste vereniging met Christus hier op aarde – twee jaar nadat zij in de Derde Orde is ingetreden. Als wij deze data naast elkaar plaatsen: 1879-1885-1887, dan zien wij dat zij door haar godsvrucht geleid, de Derde Orde is ingetreden in 1885, om die geest te vinden en te beleven, waarvan Jezus haar in visioenen sprak, om tot de volheid der volmaaktheid te komen na deze stap.

Wij willen nog even een attentie van Jezus voor Teresa, derde-ordelinge, aanhalen. In dit jaar 1887, op het feest van de H. Franciscus van Assisi, klaagde ze dan bij haar Bruidegom dat ze, wegens haar ziekelijke toestand, niet in staat was de generale absolutie, aan de derde-ordelingen die dag toegestaan, te ontvangen, daar er geen franciscanen waren in de omtrek. Toen verscheen Jezus haar en gaf zelf de absolutie. Hij liefkoosde haar ziel, en zei dat Hij niets te vergeven had maar dat Hij het doen zou om haar meer aan Hem gelijkvormig te maken en om haar met zijn kostbaar Bloed te verzadigen.

Hier toont Teresa, hoe zij de onschatbare voordelen die deze instelling aan haar leden biedt, wist te waarderen; en hier toont Jezus hoe Hij deze genaden gebruikt om een ziel tot zich te trekken.

Zegen van de heilige Franciscus van Assisi aan zijn volgelingen:

De Heer zegene en beware u.

Hij tone u zijn Aanschijn, en ontferme zich over u.

Hij wende zijn Gelaat tot u en geve u vrede.

De Heer zegene u, mijn broeder.

De Heer zegene u, mijn zuster.


Aanhangsel

 

1. Beloften aan de vereerders van het H. Aanschijn

2. Beloften aan de vereerders van het Heilig Hart

3. Beloften aan de vereerders van het H. Hoofd

1. Beloften van Jezus aan de vereerders van Zijn H. Aanschijn.

1). Zij zullen in hun binnenste door de afdruk van mijn Mensheid een levendige afglans van mijn Godheid verkrijgen: zij zullen tot op de bodem van hun ziel daardoor verlicht worden, zo dat zij door de gelijkenis met mijn Gelaat stralender zullen zijn dan vele anderen, in de eeuwigheid.

2). Bij hun dood zal Ik het door de zonden geschonden beeld van God in hun ziel herstellen.

3). Zij zullen Mij, wanneer zij mijn Heilig Aanschijn in de geest van boetvaardigheid vereren, net zo aangenaam zijn als de H. Veronica: ze bewijzen Mij dezelfde dienst als zij, en Ik zal hun zielen mijn Goddelijke Geest inprenten.

4). Dit aanbiddelijke Gelaat is gelijk aan het zegel der Godheid, dat de eigenschap bezit de zielen, die zich daartoe wenden, het beeld Gods op te drukken.

5). Hoe meer zorg zij zullen dragen om mijn door Godslasteringen verminkte Gelaat te herstellen, des te meer zal ook Ik zorgdragen voor hun gelaat, hoezeer ook door de zonden misvormd, Ik zal hun mijn beeld weder opdrukken en het even mooi maken als het was bij hun Doopsel.

6). Wanneer u mijn Vader mijn Heilig Aanschijn aanbiedt, zult u de Goddelijke Toorn verzachten en met hemelse munt de bekering van de zondaren afkopen.

7). Met het aanbieden van mijn Heilig Aanschijn zal in niets geweigerd worden. Ik zal zelfs mijn mond openen om mijn Vader al uw zorgen aan te bieden.

8). Door middel van mijn Heilig Aanschijn zult u wonderen verrichten, Ik zal u met mijn Licht verlichten; Ik zal u met Liefde omgeven: Ik zal u in het goede standvastig maken.

9). U zult nooit door Mij verlaten worden.

10). Al degenen, die door woorden, gebeden of geschriften mijn zaak in dit verzoeningswerk steunen, zal Ik bij mijn Vader verdedigen. In hun doodsuur zal Ik het aanschijn van hun zielen van alle zondenvlekken reinigen en hun oorspronkelijke schoonheid terug schenken.

 

Beloften van Jezus aan de vereerders van Zijn H. Hart.

1). Ik zal hun al de genaden schenken, die ze nodig hebben in hun staat.

2). Ik zal vrede brengen in hun huisgezinnen.

3). Ik zal hen troosten in hun droefheden.

4). Ik zal hun veilige toevlucht zijn gedurende het leven en vooral bij hun dood.

5). Ik zal al hun ondernemingen overvloedig zegenen.

6). De zondaars zullen in mijn Hart de bron en de oneindige oceaan der barmhartigheid vinden.

7). De lauwe zielen zullen vurig worden.

8). De vurige zielen zullen zich verheffen tot een hoge volmaaktheid.

9). Ik zal de huizen zegenen, waar de beeltenis van mijn H. Hart zal worden uitgesteld en vereerd.

10). Ik zal aan de priesters de gave schenken om de meest versteende harten te treffen.

11). De personen, die deze godsvrucht verspreiden, zullen hun naam in mijn Hart geschreven vinden en deze zal er niet meer worden uitgewist.

12). Ik beloof aan allen, die op negen achtereenvolgende eerste Vrijdagen der maand zullen communiceren, de genade der eindvolharding te schenken; zij zullen niet in ongenade sterven, noch zonder het ontvangen van hun Sacramenten; mijn Goddelijk Hart zal hun in dit laatste ogenblik een veilige toevlucht zijn.

 

Beloften van Jezus aan de vereerders van Zijn H. Hoofd, als Zetel van goddelijke Wijsheid

1). “Anyone who shall assist in furthering this Devotion shall be blessed a 1,000 fold; but woe to him that shall reject or go against My wish in this respect, for they shall be scattered in my wrath and shall know their place no more.”

2). Our Lord “would crown and clothe with a peculiar glory all those who further this devotion” to the Sacred Head. “He would clothe with glory before angels and men in the courts of heaven those who clothed Him in glory on earth and would crown them in everlasting bliss.”

3). “We render a great homage to the ever Blessed Trinity by adoring our dear blessed Lord’s Sacred Head as the ‘Seat of divine wisdom’.”

4). Our Lord would bless “all who practice or further this devotion in any way.”

5). “Untold blessings are promised to those who shall try to furher our Lord’s wishes in spreading the Devotion.”

6). “The more we practice devotion to the Sacred Head the more we must see of the working of the Holy Spirit of God in the human soul, and the better we will know and love the Father, the Son and the Holy Ghost.”

7). The “devotion and love to His Sacred Heart should be bestowed a hundred fold upon those who practice devotion to the Seat of divine Wisdom.”

8). “Our blessed Lord said that all that He had promised to those who should worthily love and honor His Sacred Head should be poured out upon those who honoured it themselves or were the means of others doing so. Oh Sacred Head, may Thy Wisdom ever guide us, and the sacred tongue ever bless us and plead for mercy and pardon, and may we never hear the curse pronounced against those who shall hinder or despise this Devotion.”

9). “To them that honor Me I will give of my might and I will be their God and they shall be My children and I will place my sign upon their foreheads and My seal upon their lips.”

10). He gave me to understand that this wisdom and Light was the seal that marked the number of His elect and they shall see His Face and His Name shall be on their foreheads.

11). Our Lord gave her to understand that St. John referred to His Sacred Head of the Seat of Divine Wisdom “in the last two Chapters of Revelations and with this mark were sealed the numbers of His elect.”

12). Our Lord shows her the great blessings and graces he has in store for all who shall further His divine Will to this end.

De beloften kunt u tevens hier vinden: https://teresahigginson.wordpress.com/barmhartige-liefde en hier: http://immaculata.ch/verlag/higginson2.htm (bron van de derde reeks beloften, die van het H. Hoofd)

 

 

                                                                                        

Nawoord pastoor Geudens

 

Ik heb gebruik gemaakt van twee bundels met getypte pagina’s:

1). “Boodschap van de Wijsheid Gods voor de XX-ste Eeuw”, door Pater Marcel en J.J., Tweede vervolg, Handboek voor de Godsvrucht tot het Heilig Hoofd van Jezus, Zetel van Goddelijke Wijsheid (blz.1-103), met kaft, zie afbeelding: https://teresahigginson.files.wordpress.com/2012/10/img3.jpg

2). “Boodschap van de Wijsheid Gods voor de XX-ste Eeuw”, door Pater Marcel en J. J.; Geest van Teresa Higginson, korte levensschets (blz. 1-15); Naklanken uit 1937 (het betreft het onderzoek naar de bronnen en getuigen rondom Teresa Helena Higginson in relatie tot de Devotie tot het H. Hoofd van Jezus, Zetel van goddelijke Wijsheid; onderzoek- en reisverslag gemaakt door pater Marcel in oktober 1937), reis naar Engeland (blz. 16-51), met kaft, zie afbeelding: https://teresahigginson.files.wordpress.com/2012/11/img_00021.jpg

Over de schrijver Z.E.P. Marcel is zeer weinig bekend. Hij was (is?) een pater kapucijn. Z.E.P. staat waarschijnlijk voor: Zeer Eerwaarde Pater. Nergens wordt de volledige naam vermeld van de pater, nergens een woord over zijn woon- of werkadres. Was hij een kloosterpater of was hij werkzaam in een parochie?

Gegevens ontbreken waar de twee manuscripten zijn geschreven en/of uitgegeven, geen jaartallen worden genoemd, op een paar na: (a) de reis naar Engeland in 1937, (b) de vermelding van de tweede wereldoorlog 1940-1945 en (c) het jaartal 1962 (zie bron: “Naklanken uit 1937, reis naar Engeland”, https://teresahigginson.wordpress.com/iii-naklanken-uit-1937). Pater Marcel heeft hulp gekregen bij het typen van medewerkers uit Brugge. In het reisverslag wordt tevens de stad Brugge vernoemd als uitgangspositie naar de reis naar Engeland.

Ik heb een vermoeden dat deze geschriften een aantal jaren in het bezit zijn geweest van een uitgeverij in België, welke nu niet meer bestaat. Daar de opportuniteit afwezig werd geacht tot uitgave van deze voorname documenten, werd er geen aandacht meer aan geschonken. Deze papieren zijn later van hand tot hand gegaan (van de opgeheven uitgeverij naar de Nederlandse contactpersoon van die uitgeverij; mevr. N. en later naar een vriend van mij; de heer D.) en tenslotte in 1977 in mijn bezit gekomen. Momenteel ben ik op zoek naar meer contactpersonen die me kunnen helpen aan feitenmateriaal over de geschriften van Z.E.P. Marcel.

Uw hulp is gewenst! Gelieve contact met me op te nemen op dit e-mailadres: m.geudens@yahoo.com (pastoor Jack Geudens). De gevonden nieuwe gegevens zullen worden verzameld op deze webpagina: https://teresahigginson.wordpress.com/over

Moge het pionierswerk van pater Marcel vrucht dragen ook in de XXI-ste eeuw!

Website https://teresahigginson.wordpress.com/handboek-h-hoofd-devotie

Landgraaf, 24 december 2012, Pastoor Jack Geudens

 

Bibliografie van de auteur pater Marcel

 

Nederlands

 

H. Hoofd van Jezus, door Th. Kwakman, 1934, Amerikalei 106-110, Antwerpen.

Leven van Teresa Helena Higginson, door Lady Cecil Kerr, vertaald uit het Engels door Th. Kwakman, 1933, Amerikalei 106-110, Antwerpen.

Frans

 

Térèse Hélène Higginson, Histoire synoptique par Zevo Filsewil, 1934, Bruxelles, Simons, Rue Ketels 23.

Extraits de la vie de Teresa H. Higginson sur la Dévotion a la Tête Sacrée, 1934, Bruxelles, Simons, Rue Ketels 23.

Teresa Higginson, vie de la stigmatisée anglaise, Apôtre du Chef Sacré de N.S.

Alle Franse documenten, brochures en maandbladen over Teresa Higginson. Schrijven: Sagesse, Bellevue, Cagnotte (Landes), Frankrijk, sinds de 1930ger jaren tot op heden toe.

Engels

 

Teresa Helena Higginson, by Cecil Kerr, Sands & C°, 15 Kingstreet, Covent Garden, London.

Letters of T. H. Higginson, selected bij a monk of St. Augustine’ Abbey, Ramsgate, 1937, Sands & C°, 15 Kingstreet, Covent Garden, London.

Deze brieven spreken over de toestand der zielen in het vagevuur.

T. H. Higginson, Miss Minnie Catterall’s Narrative, Watson & C°, 135 Corporation Street, Preston, 1936.

The last days of the Servant of God T. H. Higginson by a poor Clare Colletine Barbara (Casey), Ormskirk, St. Anne’s Road, 1937.

Duits

 

Das Haupt Christi und die Andacht zum Sitz der Weisheit, van P. Willibrordus Schons O.S.B., Innsbrück – Hungerburg, Peter Meier, 1935.

Dit boekje is een bijeenbrengen van enige dingen die de lijdende Jezus aangaan en vooral zijn aangezicht, namelijk Veronica-beeld, Turijns Grafdoek, H. Aanschijndevotie van Leo Dupont; openbaringen van Zr. Marie de St. Pierre, Zr. M. Marthe Chambar, enz., en ten slotte Teresa Higginson.

 

 

 

H.Hoofd Devotie (2)

Derde Hoofdstuk: Kentekenen van de Godsvrucht

 

1. Zij is inwendig

Eerst prente men zich in de geest dat deze godsvrucht vooral inwendig is. Alle uitwendige oefeningen moeten dienen om in ons een geest aan te kweken en een denkwijze om nadien volgens die geest ons leven te richten. Wij willen door de verering van Jezus’ H. Hoofd zeker de verschuldigde eer brengen waarop Hij recht heeft, maar wij willen ons ook zijn evangelische geest eigen maken, wij willen leren denken zoals Hij, wij willen al onze meningen, onze gedachten – ook onze meest eigene en geliefkoosde — over gelijk wat, aan zijn wijsheid toetsen en onderzoeken of ze wel overeenkomen met ‘het zuiver evangelisch denken’.

Dus op de eerste plaats moeten wij onze gedachtengang onderzoeken en ‘onszelf oordelen om niet geoordeeld te worden’ (Cor.11,31), zich dikwijls in het licht van Jezus’ denkwijze stellen om in zijn binnenste te onderscheiden wat van de wereld is en niet-evangelisch en wat het wel is.

Daarom zal men zich dikwijls voorstellen in een groot licht te staan en zichzelf vol vlekken te zien: namelijk van valse denkbeelden die de wereld op ons hoeft nagelaten en die we iet of wat aankleven of waardoor wij misschien doortrokken zijn zonder het te weten. Veel mensen immers zijn vrijzinnig zonder er zich van bewust te zijn; de dwaalleer van het vrijdenken werd zolang in hun omgeving verspreid dat ze tenslotte erdoor aangetast zijn en dat ze niet meer volgens hun geloof maar volgens hun eigen opvattingen handelen en dan van gezond verstand spreken, als het ‘de voorzichtigheid van het vlees’ heet.

Die inwendige geest bestaat verder in een hoge achting voor Jezus’ woord. Wij kunnen niet dulden dat oneerbiedig wordt omgegaan met de woorden van de Meester, wat onder christenen nochtans veel gebeurt. Teksten van het evangelie worden aangehaald om allerlei onbenullige toepassingen te maken en om te lachen met de geestigheid van een samen-treffen of zinspeling. Zodoende vermindert de eerbied voor het evangelie en ontzenuwen wij er de kracht van en maken de woorden van Jezus ook minder indruk op ons. Alle waarde en sterkte moet aan het evangeliewoord behouden blijven, en wij willen ze met ontzag uitspreken daar waar ze in ons leven te pas komen om anderen op te beuren, te vermanen of mede te trekken naar een vuriger leven.

Vervolgens bestaat die inwendige geest in een geringschatting van de louter menselijke geest.

De mens gaat groot op zijn uitvindingen, zijn vernuftige techniek, zijn machtige gebouwen en kunstgewrochten; hij gebruikt zijn totale geest en gans zijn verstand om zich steeds betere middelen van bestaan te verschaffen. Wij minachten de menselijke geest niet voor wat hij is; wij erkennen zijn macht en wij zijn ook gelukkig om zijn vindingrijkheid; God wil echter, dat al die vondsten ondergeschikt worden aan zijn Rijk en dat die uitvindingen God zouden dienen en niet misbruikt worden om de wereld slechter te maken; we weten immers dat vele mensenwerken tot stof vergaan en dat één woord van Jezus meer waarde heeft dan alle wondervondsten van de mensen samen omdat Hij als God met één enkel woord de wereld geschapen heeft. Wij minachten dus het werk van de menselijke geest niet, als het ons dichterbij God brengt, maar wij achten het onze aandacht niet waard, zo het er ons van aftrekt, gezien het nog geen druppel is bij de oceaan van Jezus’ wetenschap.

Daarom, als wij horen oplopen met de menselijke kunde, als wij de menselijke geest horen verheffen, zullen wij onze evenmens wijzen op de beperktheid van deze geest tegenover de goddelijke, wij zullen de grootheid van Jezus’ wetenschap en goedheid voorop stellen, die toeliet dat de arme beperkte mens weer wat verder kwam in de kennis der natuurgeheimen, opdat men Hem ook beter zou leren kennen, vaster in Hem geloven om des te trouwer Hem te dienen.

2. Zij is ootmoedig

Deze godsvrucht leert ons onszelf in verhouding te stellen met God en onze menselijke geest te bezien in wat hij niet kan en tot wat hij niet in staat is, in tegenstelling met de wereldse mentaliteit, die hem altijd beschouwt in wat hij wèl kan en tot wat hij wèl bekwaam is. Dit leerde Jezus aan Teresa.

Er is een spreuk die zegt: In het land der blinden is eenoog koning; deze kan ook aldus verstaan worden: zo men steeds met minderwaardigen omgaat, kan men het gevoel van superioriteit niet afleggen; maar eenmaal dat men zijn meerdere gevonden heeft, voelt men zich klein. Zij die zich in Jezus’ Wijsheid spiegelen, voelen zich klein. Zij aanzien zichzelf als kleine kruipende wormen voor zijn grootheid; zij weten zich tot anders niets in staat, dan om alles in wanorde te sturen. Zij buigen zich in hun binnenste neer, nog meer dan op de grond, en maken dikwijls de vergelijking: hoe weinig is de Geest van Christus in mij; hoe totaal verkeerd oordeel ik soms; hoe beperkt zijn mijn gedachten; ik weet zo weinig; ik zie de dingen in een vals daglicht; ik ken de omstandigheden niet, die mij een bijzonder oordeel zouden geven; ik ben zo dikwijls verkeerd geweest in mijn oordeel, enz.

Daarom is het nodig dat wij gedurig vechten tegen de geestelijke hoogmoed. Wat verstaan wij daardoor? Er zijn twee soorten van hoogmoed.

Een die zich zelf bewondert om lichamelijke of uiterlijke hoedanigheden. Het is de hoogmoed der vrouw (1), die groot gaat op lichamelijke schoonheid, op uitgezochte kleding, op welstand en het bezit van wereldse goederen, om daarin de zin van het leven te doen bestaan, een hoogmoed, die onuitstaanbaar is voor Jezus, omdat hij zoveel mannen ten verderve leidt, zovele huisgezinnen in stukken trekt, zovele verwaarlozing van christelijke plichten meebrengt, de mens lichtzinnig maakt, zinnelijke verspil- en genotzucht aankweekt en ware deugdoefening onmogelijk maakt.

Er is echter een veel gevaarlijker hovaardigheid en méér het deel van de man: het is de geestelijke hoogmoed, het bewonderen van eigen gedachten en meningen; het is een innerlijke hoogmoed die begint met zich kritisch te stellen tegenover de echt-geestelijke leiding van de levende Kerk, de wijsheid van het evangelie, de Persoon van Christus. Hij sluipt ongehoord in het hart van de mens in het afkeuren van het gezag, om later ook de lering van het gezag aan te randen. Hij noemt naïef al wat betrekking heeft op het geloof en de godsvrucht; hij zwetst en haalt de schouders op als iemand uiterlijk toont wat hij inwendig gelooft, hij spreekt dan van zonderlingheid, kwezelarij, van onuitstaanbare dingen, enz… Hij roemt hetgeen de goddelozen verrichten en smaalt op de pogingen der goeden. Zo komt men er stilaan toe de dwaalleer belangrijk te vinden, men meent dat er veel waarheid in schuilt; men begint de waarheden van het evangelie als afgedaan te beschouwen en gaat op in nieuwe ketterijen van vrijheidsverwildering, materialisme en volslagen goddeloosheid. Wat meer is, men verdedigt deze dwaalleren als de waarheid.

Dat deze hoogmoed gevaarlijker is dan de eerste hoeft geen betoog daar hij leidt naar ongeloof. Die intellectuele hoogmoed is slechts een overdreven liefde voor het eigen verstand, het is waanwijsheid. Aan Teresa zei Jezus “dat in de godsvrucht het tegengif lag voor de twee hemeltergende ondeugden van deze tijd: de geestelijke hoogmoed en het ongeloof”.

O Heer Jezus bewaar ons van deze afschuwelijke hoogmoed waardoor wij u zouden verliezen en geef ons de nederigheid die uw Geest bezielde tegenover Uw Vader.

(1) Hierdoor willen wij alleen te kennen geven dat deze hoogmoed opmerkelijker is in de vrouw dan in de man; beide kunnen hem bezitten; wie nu van beiden het meest, dat laten wij in het midden.

 

3. Zij is vertrouwend

 

Er is door de goddelijke Zaligmaker een tijd voorzegd waarin de dwalingen zo groot zullen zijn en de weerstand der christenen zo zwak dat zelfs de uitverkorenen het lastig zullen hebben om recht te blijven, ware het niet dat ze bijgestaan werden door de genade. In onze tijd wordt het ook al langer hoe moeilijker de ware christelijke geest te bewaren, omdat overal valse leerstellingen rondsluipen, die zich zo listig kunnen inkleden in schijnbare waarheid, dat zelfs de goeden ze aannemen en van de ware zin van het evangelie afwijken.

Maar de vereerders van Jezus’ H. Hoofd hebben niets te vrezen voor de komende lastige ogenblikken waarin het geloof zal schipbreuk lijden, hen zal nooit het licht ontbreken als zij maar de leiding van Jezus, die ook de leiding der Kerk is, willen volgen in een geest van vertrouwen.

“De gerechtige” zegt de schriftuur, ”wordt door God langs rechte wegen geleid, hem wordt het rijk der hemelen getoond en de wetenschap der heiligen gegeven” (Sap.10,10). Dit mogen wij dan ook van Jezus verwachten: omdat wij geloven in zijn verlossingswil, zal ons leven verlopen in een groot vertrouwen, wat er ook gebeuren moge. Wij mogen dus niet vreesachtig zijn; als Jezus’ Wijsheid zou toelaten, dat de dwaalleren een ogenblik de bovenhand bekomen, gelijk het gebeurt in sommige landen, waar men om allerlei redenen het werk der Kerk aan banden legt, als we velen zullen zien wankelen in het geloof hunner vaderen en zien overgaan naar het kamp van de godhaters; als men zelfs ons op de proef zal stellen en het geloof uit onze hoofden willen rukken, door allerlei dwangmaatregelen, door slechte wetten, door machtmisbruik en hersenspoelingen, onder voorwendsel een dienst te bewijzen aan het volk, het land of het ras, dan moeten wij vereerders van Jezus’ H. Hoofd niet vrezen, want Hij zal bij ons zijn met zijn licht en zijn kracht. Hij zal ons “nooit boven onze krachten beproeven, maar in de nood ook de kracht geven” (1.Cor.10,13) om te weerstaan aan al de dwangmiddelen en verleidingen van deze verwarde wereld. Het vertrouwen mag ons nooit verlaten bij een zo trouwe Meester. Hij laat immers alles toe om zijn uitverkorenen te beproeven. Hij bestuurt en leidt alles om hunnentwil langs wegen, die ons onbekend zijn, maar die moeten leiden naar ons heil. Dat vertrouwen berust op de grote waarheid, dat Jezus ons wil verlossen en dat Hij alles in ons leven en omgeving schikt tot ons heil.

Daarom is het zo verkeerd in alles wat ons overkomt steeds straffen en rampen van God te zien. Ten eerste weten wij daar niets van en hebben wij dus daarover geen zekerheid. Waarom zouden wij dan vrezen? En verder is het een valse leer, want als er rampen gebeuren, komen die eerder van de mensen dan van God. Weinig rampen komen rechtstreeks van God. “Aan Hem is de wraak” in het andere leven; daarvoor bestaat dan ook de hel; maar hier op de wereld is alles geschikt om onze zaligheid te bewerken. Wij moeten dus in alles eerder zijn barmhartigheid zien, die uit alle verwarde omstandigheden een gelegenheid haalt om ons te zaligen en die alles laat gebeuren tot het heil van zijn uitverkorenen.

In werkelijkheid wordt zijn ordening gedurig door de mens overhoop gezet (1). Wij zijn gelijk mieren die tegen elkaar aanbotsen en verwarring stichten. God wil de verwarring niet maar zijn Voorzienigheid richt steeds weer alle verwarde levensomstandigheden tot het heil der zielen. Laten wij de verwarring toch niet aan Hem toeschrijven, zij is het werk van onze boze daden, die ordeverstorend zijn; maar laten wij Hem steeds aanzien als de Bestuurder die alles weer goed tracht te maken, zodat de levenslopen weer naar Hem kunnen uitmonden.

Leven wij onder het gevoel van de steeds straffende God, dan krijgen wij een beeld van God, als van een beul en dan worden wij moedeloos en ons leven zonder troost.

Leven wij echter in de gedachte voortgebracht door ons geloof, dat alles toegelaten is en weer terug ter orde wordt gebracht door de zachte hand Gods, dan wordt onze ziel met vertrouwen en vreugde vervuld (2).

(1) Vele mensen hebben een valse voorstelling van de Voorzienigheid. De werkelijkheid is dat God de schikker is en wij de ordeverstoorders. Wij kunnen de Voorzienigheid vergelijken met een moeder die het huis weer in orde brengt terwijl de kinderen alles overhoop smijten. Moeder staat niet gedurig gereed om oorvegen uit te delen, maar goedhartig zet zij alles terug in orde en zwijgt, en geeft steeds de vermaning: voeten afvegen, alles op zijn plaats zetten, op tijd naar huis komen. Zo heerst de liefde in het huisgezin, niettegenstaande de orde dikwijls gebroken wordt. God wil ook de wereld besturen in liefde. Hij houdt niet van slaan. Hij vermaant, Hij schikt in liefde, wat de mensen overhoop gooiden. In werkelijkheid is Hij de ordebrenger. Beschouwen wij Jezus’ H. Hoofd als de Zetel der Wijsheid, dan is een der eerste geloofspunten dat God de stichter van de orde is en de schikker ten goede. Bijgevolg is het vertrouwen een der hoofddeugden dezer godsvrucht.

(2) Volgens Paulus, Rom.8,28: “Wij weten ook, dat God alles ten goede leidt voor hen, die Hem liefhebben…”

4 Zij is voorzichtig

De H. Theresia van Avila stelt het toppunt der volmaaktheid in de bescheidenheid.

Stippen wij echter aan, dat er een voorzichtigheid van het vlees bestaat, die ons vernuftig maakt in het vinden van middelen om een zelfzuchtig doel te bereiken, onze driften te voldoen, schatten te verzamelen, ereposten te bekleden, enz…

De blootmenselijke voorzichtigheid wordt hier ook niet bedoeld, wel de christelijke die ons verstand aanzet om in iedere omstandigheid de beste middelen te kiezen tot het bereiken van ons doel, en eerst onze zaligheid. Velen laten zich immers leiden door hun gevoel, zij zijn voortvarend en stichten meer kwaad dan goed; zij willen de werking van God voorlopen; zij schijnen al ijver te zijn, slaan vele dingen stuk, “doven het rokend lemmet” en worden door Jezus zelf “zonen des donders” geheten. Zij vergeten dat Gods werking “kalm en zacht maar ook bestendig, doordrijvend en sterk” is; zij kunnen niet wachten, zij vergeten, dat het zaad lange tijd in de grond zit eer het opschiet en een plant zo traag groeit dat men het niet kan opmerken.

Een vereerder van Jezus’ H. Hoofd zal kalm oordelen, door niets beïnvloed dan door zijn groot verlangen: Gods glorie te bewerken. Hij heeft een rede van God gekregen om te overleggen wat hem te doen staat in het licht van zijn geloof. De grondbeginselen waarnaar hij redeneert, zijn de beginselen van het evangelie; daaruit trekt hij de gevolgtrekkingen. In twijfelachtige gevallen vraagt hij leiding aan de priester of bevoegde leek. Hij aanziet de priester als een geestelijke leider, door God juist aangesteld om hem in moeilijke gevallen van geestelijke aard tot raadsman te dienen; hij bidt om verlichting tot Jezus; na aldus overlegd te hebben, neemt hij een beslissing en vormt zijn geweten; nadien is hij niet ongerust, daar hij voorzichtig handelde.

Jezus heeft ons aangemaand “voorzichtig te zijn als de slangen”. Wij dienen nu maar enkel na te denken, hoe geduldig zij wacht op haar prooi, hoe zij alle gevaren in het oog houdt en omzichtig is, hoe zij het goede ogenblik afwacht, zich verbergt en ongehoord, lijzig en zacht naar haar prooi afkomt.

Vooral in het geestelijk leven is voorzichtigheid geboden.

Vele mensen menen visioenen te zien en worden bedrogen door hun opgezweepte verbeelding, andere door de duivel, die hen in zijn netten draait, zich vertoont in de vorm van een engel van het licht om beter de ziel in zijn handen te krijgen, door ongehoorzaamheid aan haar geestelijke leider. Arme zielen, die hun leven inrichten volgens al deze voorzeggingen en inbeeldingen! Zij vergallen hun leven, sidderen en beven, geloven meer aan die dwaze dingen dan aan hun geloof zelf.

Een vereerder van Jezus’ H. Hoofd luistert naar de raad van de apostel: “Gelooft niet alle geesten”; zijn grote zorg gaat naar de voorschriften van Jezus’ leer. Hij laat die dingen over aan de overheid die erover oordelen zal. Hij neemt niet alles ogenblikkelijk aan, maar volgt steeds de eeuwenoude leiding van de Kerk.

5. Zij is uitziende naar het licht

Het beginsel van de wijsheid is: ‘verwerf u wijsheid’ (Spreuken4,7). Zo spreekt het boek der spreuken en wil daardoor te kennen geven, dat het verlangen iemand bereid maakt om te ontvangen. God is bereid te geven als Hij een begerig hart voor zich ziet.

Is de begeerte een begin van de Wijsheid; de Wijsheid zelf, naarmate ze in de ziel stroomt, doet ons begeriger worden naar haar Licht. De duisternis waarin wij leefden, wordt nu ingezien. Men ondervindt een gemis aan kennis van de volle heerlijke evangeliewaarheden, onderzoekt de opinie van de mensen, toetst ze aan Jezus’ Wijsheid en nooit schenen ze zo zwart en zwaar. Men leest nu geestelijke werken, verlangt dieper godsdienstonderricht, vermoedt dat er een kern nooit openging: men wil dit achterhalen, werpt alle schadelijke literatuur, zelfs ontspannende, weg en met voorliefde grijpt men naar de levens van heilige zielen. Een nieuwe wereld gaat open en men begint te hongeren naar het Licht zoals de profeet hunkerde toen hij neerschreef: “Mijn ziel verlangt naar u in de nacht” (Is.26,9).

H. Hoofdvereerders onderhouden zich gaarne met mensen van wien ze heengaan met meer begrip en klaarheid over hun christelijk leven. Zij bespreken de ernstige vraagstukken van het actuele leven en zoeken naar oplossingen in voorzichtige kalmte. Zij gelijken de leerlingen van Emmaüs: was ons hart niet brandend terwijl Hij onderweg met ons sprak, terwijl Hij ons de Schriftuur opendeed (Lc.24,32)?

Zij verdedigen de waarheid ten allen kant, zetten gedachten recht, doen hun evenmens inzien dat hij naast de waarheid redeneert, verspreiden door woorden en schrift, als het hun mogelijk is, de ongeschonden waarheid, het onbesmette woord van Jezus. Zij gelijken op de wijze uit het Oude Verbond.

“Toen ik nog jong was…” zegt deze, “vroeg ik openlijk de wijsheid in mijn gebed, voor de Tempel smeekte ik om haar en tot het einde zal ik haar zoeken… Mijn ziel worstelde om haar…, en door haar te zoeken vond ik haar” (Eccl.11,passim).

Zij hongeren naar het licht, om in hun eigen leven duidelijkheid te brengen, om bevrijd te worden uit de knellende banden van twijfel, misverstand, radeloosheid en uit de vangarmen van de misleidende opinies. Hun ziel worstelt met de serpentenplaag der venijnspuwende moderne dwalingen en ziet op, in de woestijn van de geloofsafval, naar het kruis waaruit de reddende Wijsheid straalt van het H. Hoofd.

6. Zij bemint de dwaasheid van het kruis

 

Het ware volkomen verkeerd zich een godvrucht van Jezus’ H. Hoofd in te beelden zonder beschouwing en liefde voor zijn Heilig Lijden en Smarten. Daarover spreken wij later in het aanhangsel, namelijk over de H. Hoofd- en H. Aanschijn-devotie.

“O Eeuwige Wijsheid”, bidt de gelukzalige Suzo, “ik zie nu dat hij, die een groot loon en het eeuwig geluk wil verwerven, die een hoge wetenschap en een diepe wijsheid wil bekomen, die in vreugde evenals in lijden gelijkgezind wil blijven, die zich behoeden wil voor het kwaad en naar een buitengewone zoetheid streeft op alle ogenblikken zijn gekruiste Jezus voor ogen moet stellen” (Oeuvres Myst. blz.100). Wij onderlijnen dat hij, die de Wijsheid zoekt, alle ogenblikken zijn gekruiste Meester voor ogen moet houden.

Ziehier wat deze grote minnaar der wijsheid overkwam toen hij eens overstelpt van lijden op zijn kloostercel was gegaan en de moed liet zinken, omdat hij tot niets meer in staat was. Toen hij daar nu ontroostbaar zat, bleek het hem dat iemand hem toesprak: “Waarom blijft gij hier zo? Sta op en verlies u in mijn smarten, het is maar op die wijze dat gij de uwe zult te boven komen.” Weldra begon hij Jezus’ lijden te overwegen en vergat zodanig de zijne, dat hij ze later nooit meer zo hevig ondervonden heeft (Oeuvres Myst. blz.101).

Suzo was vergeten dat Jezus het lijden had aanvaard om ons de moed te geven het harde leven vol te houden. Hij is een voorbeeld voor alle H. Hoofdvereerders opdat zij zouden tot de opvatting van St. Paulus komen, wanneer deze zegt tot de Corinthiërs, “dat hij bij hen kwam, niet met een uitstekend talent van spreken, maar met niets anders dan de kennis van Jezus en Die gekruisigd” (1.Cor.2,2).

Wij voegen hierbij, dat hoogste wijsheid bestaat in het lijden en het voorbeeld van de Meester na te volgen. Het is hier de plaats niet het waarom daarvan te geven. Daarover bestaat genoeg literatuur. Zeggen wij enkel, dat elk mensenleven, dat de weg der uitverkorenen opgaat, een opgang is naar het lijden. Ieder mens in dit leven moet tegenover het lijden stelling nemen. Hoe zal hij het aanvaarden? Met liefde of tegenzin?

Hierop antwoordt de H. Hoofdvereerder: met liefde, daar dit de wijsheid is.

Vierde Hoofdstuk: Het wezen van de Godsvrucht

 

1. Jezus’ Wijsheid vereren

Beschouwen wij thans het H. Hoofd van onze Geliefde Meester van wat naderbij. Blikken wij op naar dit H. Gelaat en trachten wij ons een denkbeeld te vormen van het “Huis dat de Wijsheid zich bouwde” (Spreuk.9,1).

“Rond zijn Hoofd, zegt ons Teresa, was een lichtglans van onbeschrijflijke schoonheid en luister als een zon (d.i. vermoedelijk: de eeuwige, ongeschapen Wijsheid van God), waarin twaalf prachtige edelstenen stonden te schitteren, die alle de kleuren van de regenhoog weerkaatsten” (de 12 vruchten van de H.Geest). “In het Hoofd ziende zag ik als de oceaan, peilloos en diep en helder (de menselijke, geschapen Wijsheid van Jezus) en de schitterende stralen van de zon drongen tot elke diepte er in door (de menselijke wijsheid wordt doorgloeid, is innig verenigd met de goddelijke), en op die oceaan werd alle pracht van de zon en de twaalf stenen, die op diamanten leken, weerkaatst (1); ik zag groen, geelachtig groen, purper, rood, enz… en alle kleuren die in een regenboog te zien zijn. Ongeveer in het midden was een oog” (2).

“Ik zag hoe het Hoofd op heel bijzondere wijze de woonplaats van de Heilige Geest was; en zoals op het ogenblik van de schepping, Gods geest zich over de wateren bewoog, zo is Hij ook altijd vervat in deze kristallen zee en zijn glans is er het licht in, zijn liefde de zon, die er licht geeft en alle dingen in dit aardse en het hemelse paradijs regelt, zoals de zon de dingen op aarde beheerst.”

Een andere keer zag zij: “Zijn H. Hoofd stralend in een zee van licht en het leek op een schitterende zon, die het H. Hart tot in de diepste diepte doordrong, er de aandoeningen en Overwegingen in opwekte, alle werkingen erin regelde terwijl het dit alles naar boven haalde, zoals de zon de dampen uit de oceaan optrekt. In dit licht zag ik zeer duidelijk de gedaante van een zilveren duif, en ik begreep dat deze de H. Geest was; en ik zag gloriekransen – ik wilde schrijven: wolken, maar dit is niet ten volle juist – of liever zuilen als een regenboog erboven; en ik wist dat hiermee de eeuwige Vader moest voorgesteld zijn. Het geheel vormde een oog: dit beduidde het oog van de enige God” (3).

Als wij nu deze visioenen samen nemen dan kunnen wij ons een treffende voorstelling maken van Jezus’ H. Hoofd.

Eerst en vooral beschouwt Teresa het H. Hoofd als Centrum in de Drieëenheid. De Vader is er aanwezig onder de vorm van gloriekransen, omdat de Vader een volmaakte glorie ontvangt vanwege de Zoon, volgens het woord “Ik: zoek niet mijn glorie” (Joh.8,50), Ik zoek de glorie van mijn Vader (Joh.8,49), en ook omdat de Vader de Zoon wil verheerlijkt zien volgens het woord: Mijn Vader is het die Mij verheerlijkt” (Joh.8,54). De Vader wil dat de wijsheid van de Zoon schittere voor het mensdom. Zijn wil is het, dat allen Hen kennen in Wie Hij zelf al zijn geluk en vreugde vindt. Jezus, die deze wil kent, wordt verteerd door het verlangen om zijn Vader te voldoen, en daarom verlangt Hij vereerders van zijn Wijsheid bij de mensen.

De H. Geest is ook aanwezig in het H. Hoofd; Zijn Goddelijke Wijsheid, die Hij deelt met de Vader, doorgloeit het menselijk verstand van Jezus; het is een zon die een zee doorglanst en alle diepten – alle vermogens en hun werking – ervan doorstraalt. Hij is er vervolgens aanwezig door de twaalf vruchten die Hij in een ziel verwekt, die volledig aan Hem onderworpen is. Daar Jezus’ ziel nu strikt gehoorzaam is aan zijn werking, zegeviert in haar de vreugde van de deugd; vreugde, voortgekomen uit volmaakte deugd (4).

Deze beschouwing van Teresa, die Jezus’ H. Hoofd als centrum ziet in de H. Drieëenheid is theologisch zeer juist. Laten wij een groot theoloog, die de goddelijk waarheden met zijn hart beschouwde, aan het woord: “De Zoon Gods alleen komt voort en brengt voort in de eeuwigheid; Hij komt voort van de Vader en brengt met Hem de H. Geest voort. Alleen Hij wordt door de Vader gezonden en zendt met Hem de H. Geest. Het is omdat Hij het centrum van Gods leven, centrum van licht, van waarheid, van gedachte, van eeuwige schoonheid…  En daar ligt zonder twijfel ook een der redenen waarom Hij, in de tijd, als Mens, het centrum van alle dingen is” (5). Wij moeten dus Jezus’ H. Hoofd altijd zien in verband met de H. Drieëenheid, wij moeten het als centrum beschouwen van Gods leven, waarin de Vader en de H. Geest wonen.

Maar gaan we verder en onderzoeken we welke voorstellingen wij ons moeten maken van het leven van Jezus’ H. Hoofd of Wijsheid. De goddelijke Wijsheid doet vier dingen: zij regelt, zij wekt op, vergoddelijkt en zij doordringt het H. Hart. Zij legt al de gevoelens bloot volgens het woord: “dat God de harten en nieren doorgrondt” (Ps.7,10). Jezus weet dus en kent tot in haar fijnste bijzonderheden al de neigingen, strevingen van dit menselijk Hart. Jezus is dus volkomen bewust van alles wat er in zijn Ziel gebeurt, en Hij ziet die gevoelens in het goddelijk Licht. Wij kennen ons zelf niet, vele van onze aandoeningen ontsnappen ons, wij weten niet hoe ze er komen, wij hebben er soms reeds in toegestemd voor wij ons bewust waren van hun bestaan. Wij moeten trachten Jezus na te volgen in deze kennis. Jezus ziet al zijn hartstochten, strevingen, neigingen in het licht der goddelijke Wijsheid.

Verder verwekt de Wijsheid er neigingen, zij is dus oorzaak van de strevingen van het H. Hart. Het Hart laat zich leiden door deze Wijsheid. Als wij de beweegredenen van onze aandoeningen overschouwen, dan vinden wij daar alles behalve de Geest Gods. Wij worden bewogen door ons belang, onze eer, onze zinnelijke voldoening en wij spreken en handelen buiten God. In Jezus’ Persoon is de oorsprong van zijn daden en gevoelens, de Geest Gods; de Wijsheid is de beweegreden. Zo staat er geschreven dat Hij “in de Geest” naar de woestijn ging (Matt.4,1). Tot de vasten die Jezus wilde doen, werd Hij door de Geest aangespoord.

Dat Jezus’ Hart geregeld wordt door zijn H. Hoofd wil zeggen, dat de heilige gevoelens door Gods Geest opgewekt, er in orde en mate, volgens de regels van de bescheidenheid gesteld worden. Als Hij weent voor Lazarus’ graf, is die droefheid heerlijk-menselijk. Zij is niet zoals de onze, onbedaarlijk en onmatig. Als Jezus vreest voor het lijden, dan zijn die vrees en verveling zeer erg, maar zij keren Hem niet af van het offer… En wanneer eindelijk Teresa ziet hoe het leven van het H. Hart naar boven wordt gehaald door de zon, als een damp uit de oceaan, dan wordt daardoor wellicht te kennen gegeven, hoe die gevoelens van Jezus’ Mensheid, ook goddelijk zijn, doordat zij onder de werking der Eeuwige Wijsheid staan, en hoe daarmede ons een toonbeeld wordt voorgehouden, dat ook wij, door te handelen volgens de H. Geest, onze gevoelens moeten vergoddelijken.

Geheel dit visioen is dan ook voor ons gegeven, opdat wij de werking zouden verstaan, die Jezus in ons wil volbrengen; ons verlichten en al onze inwendige gevoelens en gedachten doen zien in zijn goddelijke inwerking, om te leren kennen in hun misvormdheid en laagheid, ons opwekken tot het goede, opdat wij zouden beginnen te verlangen naar de genade, ons leiding geven daar wij niet in staat zijn ons te besturen vermits wij toch altijd onszelf zoeken.

Zo zal hij ze onder zijn beleid naar boven halen uit de zondige geneigdheid of de zonde, waaraan wij vasthangen, d.i. naar het bovennatuurlijke, naar zijns Vaders glorie, waarnaar zijn hart dorst heeft, opdat zij verdienstelijk worden voor de eeuwigheid.

Merken wij op dat Teresa in het midden van haar visioen een oog zag dat ze zelf uitlegt als zou het de eenheid van het goddelijk wezen moeten verbeelden. Als wij Jezus’ Hoofd vereren, moeten wij het dus doen:

– ten eerste als Centrum van het goddelijk leven;

– ten tweede als één uitmakende met het Ene goddelijk Wezen.

(1)  Jezus’ H. Hoofd, spiegel waarin wij de werking van de Vader en de H. Geest leren zien.        

(2)  Dit “oog” wordt door Teresa zelf, in een volgend visioen, uitgelegd: het duidt de eenheid van God aan.

(3)  Menselijke en goddelijke Wijsheid zijn zo innig verenigd, dat ze een eenheid uitmaken door het oog zinnebeeldig voorgesteld.

(4)  Het getal 12 is symbolisch en betekent alle deugdakten waarin de ziel geestelijke vreugde vindt. In het begin van een geestelijk leven vallen alle deugdakten lastig, later worden zij aangenaam zodat ze de ziel met heilige vreugde vervullen. De vruchten van de H. Geest zijn dus de verschillende vreugden voortkomende uit de beoefening van de deugden. Iedere deugdakte heeft haar vreugde; de Schriftuur noemt er twaalf op: liefde, blijdschap, vrede, geduld, welwillendheid, matigheid, goedheid, lankmoedigheid, zachtmoedigheid, betrouwbaarheid, zedigheid, kuisheid. Hiermede wil zij echter geen volledige lijst geven.

(5) Ch. Sauvé, Dieu Intime, 22me Elévation Dogmatique V. De auteur rangschikt deze naam onder de 5 eigennamen van de Zoon. De eerste is Zoon Gods; de tweede: Gedachte van de Vader; de derde: Woord van God; de vierde: Beeld van de Vader, en de vijfde: Centrum of middenpunt van het goddelijk leven van de Vader.

 

 

2. Twee soorten van verering

Nu wij ons een voorstelling gemaakt hebben van het voorwerp van onze verering en het beschouwd hebben met Teresa in zijn wondervolle schoonheid, gaan wij onderzoeken op welke wijze wij het kunnen vereren.

Een verering is tweeërlei: inwendig en uitwendig. Spreken wij eerst over de inwendige oefening van verering.

1) Inwendige verering

Onder deze oefeningen kunnen wij vooral rangschikken: de aanbidding, de overweging, de bewondering, de dank, de lof en de liefde, verder de smeking tot verlichting en het gewetensonderzoek.

De aanbidding bestaat hierin dat wij het H. Hoofd van Jezus aanzien als het verhevenste dat er bestaat, heiliger dan alle heiligheid samen, en dat wij Jezus’ Wijsheid aanzien als ons opperste goed, tegenover hetwelk wij nietige wormen zijn en als niets te schatten. Stellen wij daarom dikwijls Jezus voor zoals Teresa Hem zag in haar visioen.

“Ik beschouwde de bovenmate grote liefde van het H. Hart en bood mijn goddelijke Bruidegom deze liefde aan tot vergoeding van onze koudheid, en zijn standvastigheid en oneindige rijkdommen tot aanvulling van onze armoede en gebrekkigheid, toen plotseling de goddelijke Heer mij zijn Godheid voorstelde als een zeer groot schitterend kristal, een steen, waarin alle dingen weerspiegeld stonden, of liever, waarin alles vervat stond, al wat was, wat is en wat zal zijn, en dit op zulk een manier, dat alle dingen in Hem aanwezig zijn. Deze onmetelijke kostbare steen zond stromen rijk gekleurd licht uit, veel schitterender dan duizend zonnen. Ik begreep dat hiermede de oneindige eigenschappen van God werden beduid. Dit grote juweel leek met ontelbare ogen te zijn bezet, welke de Wijsheid en de Alwetendheid van God voorstelden… Onze lieve Heer liet mij, zoals ik zei, deze goddelijke Wijsheid zien als de leidende macht, waardoor de aandoeningen en de verlangens van het goddelijk Hart werden geregeld; en ik nam waar, dat de invloed, ervan tot op de geringste daden geheel dezelfde was: zij bracht ze naar boven, zoals de zon uit de oceaan een damp optrekt” (Teresa Higginson, blz.112).

Stellen wij Jezus’ Heilige Wijsheid voor, als een kristal, waarin alle gebeurtenissen van deze wereld zich weerspiegelen, en welke vol ogen zit, die naar alle kanten kijken en weten wat er overal gebeurt, dan zullen wij gemakkelijk tot aanbidding overgaan en ze bijvoorbeeld op deze manier uitdrukken:

O Jezus, wij buigen ons neer en kussen de grond voor uw verhevenheid en schoonheid. Gij bezit alle kennis en wetenschap. Gij weet het verledene, het tegenwoordige en het toekomende: Uw geest is een wijde wereld van ontzaglijke kennis en deze Geest is gedurig in werking en bekommerd om het heil van uw kinderen: Hij onderzoekt de levensomstandigheden waarin wij vertoeven, ziet uit naar een richting waarin Hij ons zal leiden; voldoen wij niet aan Uw inzichten, dan zoekt Gij weer een nieuwe baan, langs waar wij ons kunnen zaligen, Uw Geest vlecht onze levenslopen dooreen en houdt rekening met iedereen; Hij is één met de Godheid en heeft van alle schepselen het meest duidelijk begrip, Hij smeekt de Vader genaden af en laat in onze zielen verlichting stromen, om onze weg volgens zijn wil te bewandelen.

Wat is ons mensenverstand met het Uwe vergeleken! Hoe zouden wij onszelf bewonderen daar Gij zo groot zijt, zo innig verbonden met Gods alwetendheid.

Leer ons U bewonderen en onszelf verafschuwen, leer ons steeds nieuwe werelden van schoonheid in Uw Persoon vinden, nieuwe eigenschappen en aantrekkelijkheden, en in onszelf diepere afgronden van laagheid en slechtheid, van ondank en zonde, opdat wij, schipbreukelingen in het geloof, U mogen aanhangen, die een Rots zijt, wij, blinden, van u het licht mogen bekomen op de weg waarlangs Gij voorbijgaat, opdat wij weer het gezicht mogen verkrijgen.

Door overweging, verstaan wij de grootheden van Jezus’ H. Hoofd; wij overdenken namelijk al de waarheden die wij tot hiertoe beschouwd hebben in de drie vorige hoofdstukken.

Hoe de Vader een grote verering draagt voor Jezus’ H. Hoofd, gezien Hij onze zaligheid aan Hem heeft overgelaten.

Hoe het Woord dit H. Hoofd of de Mensheid vereert met er de zetel te willen van maken van zijn Leven.

Hoe de H. Geest dit H. Hoofd vereert, met de Volheid zijner genaden in te storten.

Hoe al de hemelse geesten dit H. Hoofd aanbidden als het tabernakel der goddelijke Wijsheid.

Hoe Maria met een afgrondelijke eerbied die H. Wangen gekust heeft.

Hoe de duivelen sidderen voor een enkele oogopslag ervan.

Hoe dit H. Hoofd alle gevoelens van het H. Hart opwekt en regelt.

Hoe wij door die mond zullen geoordeeld worden.

Hoe het gehele mensdom in de beschouwing ervan zijn geluk zal vinden.

Door de bewondering en de andere akten van het inwendig leven zal de lezer gemakkelijker verstaan wat wij bedoelen.

Hoe zullen wij het geestesonderzoek doen?

Is mijn geestesgesteltenis wel gelijkvormig aan deze van de Meester? Denk ik evangelisch? Is het in mijn hoofd niet dat zich het verloop afspeelt van mijn volharding of onboetvaardigheid?  Heb ik dezelfde beginselen als de Meester over geld, arbeid, rechtvaardigheid, over bestuur aan anderen, over rang en stand, gelijkheid en overheersing, over innerlijk leven, over zuiverheid en gehechtheid, over bekoring en beproeving? Heb ik achting voor alles wat de evangelische geest uitstraalt, clerus, kloosterleven, missiewerk, enz…?

Deze inwendige oefeningen zullen het bijzonderste deel uitmaken, willen wij ooit de godsvrucht tot het H. Hoofd bekomen. Dikwijls moeten wij er opnieuw mee beginnen. Zijn er ogenblikken dat wij het vergeten, weer moeten wij terug omhoog, want al deze verschillende akten moeten in ons leven scheppen: een aandacht, een liefde, een medeleven met Jezus, zodat wij een aards en werelds leven vaarwel zeggen, en wij in de betere toestand komen, waarvan de Meester spreekt in het laatste Avondmaal: dat het ware leven bestaat in Jezus te kennen.

2) Uitwendige oefeningen

Daardoor beduiden wij oefeningen die meer bestaan in uiterlijke daden, maar die niet louter uiterlijk mogen zijn, want dan zouden zij niets betekenen. Zij moeten met een innerlijke geest verricht worden, willen zij de echte godsvrucht vermeerderen.

De meeste mensen stellen zich tevreden met enige uiterlijke plichtplegingen en menen dat zij daarmee voldoen en de zegen van Jezus over zich trekken. Een medaille dragen is niet alles; wij moeten ze dragen met innerlijke overtuiging. Bijvoorbeeld nu en dan eens deze medaille gebruiken om onze gedachten te richten naar het H. Hoofd: ter gelegenheid ervan, met anderen over de devotie spreken, enz… Dit alles zal dan tonen, dat er in het binnenste ook iets leeft.

Onder uitwendige oefeningen kunnen wij opnoemen:

1. Lid worden van een geestelijke vereniging (1), leden aanwerven, propaganda maken.

2. Met anderen over Jezus’ H. Hoofd spreken, over de dwaasheid van sommige gedachtenstromingen en de ernst van evangelische mentaliteit; over Jezus’ beleid van de wereld, enz…

3. Een medaille dragen, zoals hoger gezegd.

4. Gebeden doen die geschreven zijn in de geest van de devotie (2).

5. Door knielingen waardoor wij de aanbidding uitdrukken, enz…

6. H. Missen laten doen ter ere van Jezus’ H. Hoofd.

7. Offeranden doen voor de eredienst, kaarsen er bloemen (3), enz…

8. Een geestelijke lezing over het H. Hoofd (4).

Over deze uitwendige oefeningen dient te worden in acht genomen, dat Jezus ze ook gaarne aanvaardt als ze met een innerlijke geest verricht zijn; zo aanzag Hij als een uiting van grote liefde, dat de arme weduwe haar laatste penning in de offerschaal van de Tempel wierp.

Zeker is de inwendige oefening de bijzonderste, toch moeten de uiterlijke oefeningen niet nagelaten worden, waardoor onze inwendige geest wordt aangevuurd zoals de apostel zegt: “Wij worden door de zichtbare dingen naar de onzichtbare geleid” (Rom.1,20).

(1) Voor het ogenblik bestaat er naar mijn weten nog geen broederschap van het H. Hoofd, zetel der goddelijke Wijsheid. Er bestaat wel een broederschap van het H. Aanschijn met hoofdzetel te Tours in Frankrijk.

(2) In hoofdstuk 7 zullen wij er enige aangeven.

(3) Dit alles kan men aan het H. Aanschijn brengen met de intentie Jezus’ Wijsheid te vereren zoals de H. Theresia deed.

(4) H. Hoofd van Jezus, door Th. Kwakman, 1934, Terug ter Orde, Amerikalei 106-110, Het leven van Teresa Higginson, id. enz…

3. Jezus’ Wijsheid beleven

Het diepste wezen van deze godsvrucht bestaat in de gelijkvormigheid met Jezus’ Wijsheid. Wij vereren Jezus’ Hoofd niet alleen omdat het zo uiterst waardig is dat het aanbeden, bewonderd en bemind wordt, maar wij doen het ook om zijn innerlijk leven in ons te ontvangen, volgens zijn verlangen. Jezus immers zou willen dat alle mensen hun gedachten veranderden, en begonnen te denken zoals Hij, dat ze aan de onbenulligheden van de wereld verzaakten, in de wereld leefden, alsof ze er niet in waren, geheel met zijn Vader bezig en om de belangen van God bekommerd, verlangend naar vereniging met Hem, gedurig biddend, kortom dat zij Zijn wijsheid zouden bezitten en beleven.

Dat wil niet zeggen dat wij moeten trachten naar Jezus’ Wijsheid, zoals Hij ze bezit, want dat is onmogelijk. Sommige heiligen hebben in die wetenschap mogen delen door een buitengewone gunst zoals de Gelukzalige Anna Maria Taïgi. Deze zag lange jaren en ononderbroken voor zich uit een groot licht met daarin een doornenkroon en in dat licht zag zij toekomende dingen, las zij in harten der mensen, wist zij wonderbare zaken. Maar laten wij de geschiedschrijver aan het woord:

“Onder de gaven die zij ontving was de meest buitengewone en verwonderlijke, een enige en weergaloze gave in het leven der heiligen, dat zij een hemelse zon zag. God riep de nederige Anna Maria om deel te namen in de verlossende werking van de Zaligmaker in de wereld.

De Zon verscheen voor het eerst aan de dienares van God, toen zij de lijfkastijding deed op haar bidplaats, korte tijd nadat zij door God naar een volmaakt leven geroepen werd. Sinds dit ogenblik was zij altijd voor haar ogen aanwezig tot aan haar dood, gedurende een tijdspanne van 47 jaren. De vrome vrouw werd door een grote vrees aangegrepen bij het zicht van zulk een wonderlijk licht; haar zielsbestuurder gaf haar bevel aan God de uitleg ervan te vragen en zij ontving deze woorden: “Dit is een spiegel, die Ik u toon opdat gij het goede en het kwade zoudt kennen dat er bedreven wordt”.

In het begin had dit zonnelicht een vlamkleur en was de schijf ervan als van mat goud; naarmate de vrome vrouw vooruitgang maakte in deugd werd de zon schitterend en werd het licht sterker, dan dat van zeven zonnen samen, haar grootte geleek deze van de natuurlijke zon door haar stralen omringd. Zij verzekerde dat het licht zo hevig was, dat ze de gezondste en levendigste ogen zou vermoeid hebben. Zij zag ze met haar ziek oog, dat zij bijna heel en al verloren had en waarmede zij het daglicht niet meer kon verdragen. Het hemelse licht, verre van haar te vermoeien, versterkte haar… De zon was voor haar op een afstand van 12 handpalmen (wat meer is dan een meter) en 2 handpalmen boven haar hoofd… Zij hield altijd die houding.

Boven de bovenste stralen en als op een uiteinde, hing een grote dooreengevlochten doornenkroon, die de gehele afmeting der zon beheerste en als diadeem erop stond. Van weerszijden van de kroon daalden twee lange doornen neer, onder de schijf, waar zij elkaar ontmoetten en elkaar kruiselings schenen te omarmen, terwijl hun gebogen punten langs beide kanten uit de stralen staken. In het midden van de zon was een edele majestatische vrouw gezeten, het hoofd naar de hemel verheven, in een verrukkende beschouwing schitterend van het levendigste licht; Zij droeg twee stralen op het hoofd zoals Mozes die neerdaalde van de berg; haar voeten rustten op de laagste bogen van de zon, Het midden was oogverblindend van klaarheid. Beelden gingen als in een kino in het midden voorbij.

 

In die mysterieuze zon zag Anna Maria Taïgi niet alleen de fysische en zedelijke dingen dezer wereld, zij doordrong er ook de diepten en hoogten van de Hemel. Zij kende met volkomen zekerheid het lot der overledenen, zij zag de meest verwijderde voorwerpen, de diepste geheimen van de natuur en van de genade, het uitzicht van personen, die zij niet kende en waar ze zich ook bevonden, hun geheimste gedachten en werken. Gewetens werden haar met de meeste zekerheid geopenbaard, de tijdsorde bestond niet meer voor haar, tegenwoordig, verleden en toekomstige gebeurtenissen stonden te harer beschikking met de meest uiteenlopende omstandigheden. Eén oogslag op de zon was haar genoeg en ogenblikkelijk vertoonde zich voor haar geest het voorwerp waarmede zij zich bezig hield en dit in een onmiddellijk zicht en met de volle kennis die zij wilde. Zoals wij de gevel van een gebouw zien, zo zag zij heel het aardrijk; in een oogopslag waren voor haar ogen al de naties der gehele wereld aanwezig; zij kende de wanorde die er teweeg werd gebracht en de onheilen die hen moesten treffen, de oorzaak hunner kwalen en de middelen die ze genezen konden, de gesteltenissen der enkelingen, de toestand van ieder volk en de staat van de gehele mensheid.

Dit zicht en die kennis waren altijd te harer beschikking en men verzekert, dat de hemelse Bruidegom haar zei dat Hij voor haar iets gedaan had, en dat Hij nooit aan anderen had gedaan, met haar een nooit door anderen gekende gave toe te staan, en zo de mensen wisten, die haar kwamen bezoeken, wie er met haar was, zij zich op de knieën zouden geworpen hebben, niet om harentwille, een arm en ellendig schepsel, maar omwille van zijn Hart, en dat Hij zijn hemelse besluiten, zijn goddelijke gesteltenissen en zijn grootste geheimen mededeelde door haar in zijn tabernakel toe te laten.

Volgens een man van veel ervaring in de mystieke wegen, vertegenwoordigde dit zinnebeeldig teken der zon de ongeschapen goddelijke Wijsheid die er op een bijzondere wijze aanwezig was. Inderdaad de lichtende schijf stelde de Godheid voor, de kroon en de gekruiste doornen, de bijzonderste geheimen van de mensheid, de majestatische vrouw gezeten met de straalhorens op het hoofd, vertegenwoordigden de Wijsheid, bron van alle licht.”

Zulke gaven noemen wij gratis-verleende gaven waarop niemand recht heeft, waarnaar wij niet mogen trachten, daar wij ze niet nodig hebben voor onze zaligheid. Jezus geeft ze om aan de mensheid te doen zien, wat zijn Wijsheid is, hoe het mogelijk is, dat de menselijke geest ermee kan verenigd worden en opdat we ze zouden vereren en navolgen.

Daarbij is er een verschil tussen Jezus’ Wijsheid en zijn Wetenschap.

Wetenschap is een totaal van kennis die wij opgedaan hebben, maar wijsheid is het goed gebruik dat wij van die kennis maken; zo kunnen er grote geleerden zijn, die zeer dwaas zijn, en kunnen er weinig-geletterde mensen bestaan, die zeer wijs zijn, zoals Sint Franciscus, die een hoge evangelische wijsheid bereikte en in zijn testament bekende dat hij nooit veel gestudeerd had.

De reden daarvan is dat wij een goed gebruik kunnen maken van weinig kennis. Het is dan soms een genade voor sommige mensen geweest, weinig kennis te hebben gehad, daar ze met veel verloren zouden gegaan zijn; allen zijn wij niet van een gehalte als de H. Augustinus en de H. Thomas, die met vele kennissen ook dichter bij God kwamen; in veel gevallen verlaten de mensen het geloof in God, naarmate zij maar wetenschap bezitten. Er zijn veel zielen heilig geworden met zich aan één gedachte vast te hechten, steeds weer die ene gedachte te overwegen, ze uit te diepen, zo als leuze van hun 1even te maken. Zo is een kleine Teresa heilig geworden met steeds terug te keren, uit te werken en te beleven die éne gedachte van Jezus: “Indien gij niet wordt gelijk kleine kinderen, zult gij het Hemelrijk niet binnengaan” (Matt.18,3). Daarom was zij een eenvoudige ziel en een wijze maagd, zij had genoeg olie van wetenschap in haar lamp, omdat zij die olie goed wist te gebruiken. Een H. Bernardinus van Siëna en Joannes a Capistrano wisten jaren lang te spreken over de naam Jezus en bekeerden veel zondaars, met de diepe geheimenissen van Jezus naam uiteen te zetten. En zuster Elisabeth van de Drieëenheid vond haar gading in het gedacht dat God in haar ziel woonde. Zij richtte er heel haar doen en laten naar, leefde in het vaste en onverwoestbare geloof, dat dit de werkelijkheid was en al het overige minder-werkelijk, dan haar schone beminde waarheid, en geraakte aldus tot een grote volmaaktheid.

Tot de gelijkvormigheid met Jezus’ Wijsheid is dus geen grote geleerdheid nodig, maar de goede wil, om datgene dat Jezus als licht geeft, te gebruiken volgens zijn voorbeeld. Het is derhalve verkeerd te denken dat deze godsvrucht te hoog is en te lastig, neen, ze is zeer eenvoudig. Het leven van Franciscus was niet ingewikkeld, noch dat van de kleine Theresia, maar van beiden kunnen wij zeggen dat ze consequent waren men hun gedachten. Eens dat ze iets begrepen hadden; gebruikten zij die ver1ichting om er zoveel nut mogelijk uit te trekken.

Hadden wij de verlichtingen, die ons uit Jezus’ Hoofd gestadig komen, telkens goed gebruikt, wij zouden reeds ver gevorderd zijn in ons geestelijk leven! Ten andere het is ook een wijsheid te kunnen tevreden zijn met de enige genaden die God ons geeft. Toen de zuster van de H. Thomas aan deze grote geleerde vroeg waarin de heiligheid bestond, antwoordde deze één woord: ‘willen’. Ja, zo eenvoudig is het.

Laat ons zelfs zeggen dat het zieleleven vereenvoudigt, naarmate men God naderbij komt en men al langer hoe minder kennis nodig heeft om God te beminnen. Een enkele gedachte kan een ziel dagen bezig houden. Daar de genade overvloediger wordt, naarmate zij eraan beantwoordt, heeft de genade al onze redeneringen en kennissen niet nodig en zo doen wij stilaan de hogere wijsheid van het inwendige leven op, die niet bestaat in geesteswerk, diepe kennis over God, lange overwegingen, maar in het ontvangen van de liefdestroom der genade die God rechtstreeks in ons hart stuurt, en de lichtstroom die Hij rechtstreeks in ons hoofd brengt.

En zo begrijpen wij, dat de kern van die godsvrucht voor wat onze persoon betreft, de ontwikkeling en de volmaking is van “de gave van wijsheid’.

Deze gave, de eerste der zeven, die wij ontvingen bij ons doopsel ontvangen wij ook telkens, als de heiligmakende genade vermeerdert in onze zielen, bij H. Communie, biecht, bij het ontvangen van alle sacramenten, want zij zijn onafscheidelijk verenigd met de heiligmakende genade. Vanwege de kant van Jezus’ H. Hoofd is er dus genoeg toevoer van genade, wij moeten ze maar halen aan de bronnen van de sacramenten; waar het echter op aan komt is: de ontwikkeling van die gave van Wijsheid. Weinigen zijn er die dat talent van God doen vruchten dragen. Velen toch blijven een wereldse mentaliteit behouden, denken heel en al werelds, alhoewel zij soms dagelijks communiceren. Velen vinden slechts smaak in louter menselijke vreugde, niet in God.

En toch hebben ze de genade in zich. Gemakkelijk zouden ze zich met een weinig inspanning tot geestelijker leven kunnen opwerken en hun vreugde gaan zoeken in de evangelische zaligheden van Jezus, maar dan horen wij van hun lippen komen: ‘flauw’, ‘belachelijk’, ‘zonderling’, en dergelijke uitlatingen, die wel doen inzien, dat ze niets van Jezus’ Wijsheid afweten, zijn genade niet gebruiken en deze nooit op een radikale wijze gebruikt hebben.

Waarom dan toch ligt die berg van genaden in onze zielen gereed? Waarom is men half werelds en half geestelijk? Waarom wijdt men zijn leven niet dwarsdoor aan God toe? Waarom zijn de duizenden boeken over geestelijk leven dode letter voor ons? Omdat wij de wereld en onze zinnelijkheid liefhebben en omdat wij vrede zoeken in de voldoening van onze begeerlijkheid en niet de vrede zoeken, die alle zinnen te boven gaat.

Wat dient er dan gedaan te worden om die gave van wijsheid te laten ontwikkelen? Eerst en vooral “gedurig in Gods tegenwoordigheid wandelen en van die oefening ons bijzonderste werk maken. Waarom staan er toch kruisen langs onze wegen? Waarom hangen ze in onze kamers? Toch wel om ons de gedachte van zijn tegenwoordigheid te herinneren.

De ziel dan, die daarvan haar doel kan maken, zal welhaast haar enig geluk vinden in die oefening, zoals het voor David het geval was: “Ik zorgde steeds, zei hij, “God naast mij te zien, want Hij is aan mijn rechterhand en in die gedachte vond ik vreugde voor mijn hart” (Ps.15).

Vervolgens is het nodig alle overheersende passie of gemoedsbeweging in de ziel uit te roeien, om in een staat van zuiverheid te komen tegenover God en alleen de goddelijke liefde in het hart toe te laten.

Ten slotte hoe langer hoe eenvoudiger worden in het samenleven met God: geen bijzondere genaden vragen, maar de genade van het ogenblik gebruiken. En wie zou niet door getrouwheid aan de genade willen omgevormd worden in Hem, die het evenbeeld is van de Vader.

Gij christenziel, zeg dan met de H. Theresia van Avila: “Geef, Heer Jezus de hemelse wijsheid opdat ik U zou leren zoeken en vinden, smaken en liefhebben boven alles wat er bestaat en al het overige voor niets zou kunnen aanzien, tenzij wat overeen komt met uw Wijsheid” (1).

            (1) H. Theresia van Avila, Weg der volmaaktheid, kap. XVI.

 

4. Wij moeten de wereldse wijsheid verlaten zo wij de Wijsheid van Jezus willen bezitten

Zou er wel een wereldse wijsheid bestaan? Mag dit hemelse woord ‘wijsheid’ toegepast worden op iets, dat zo verachtelijk is als de ‘voorzichtigheid van het vlees’?

Wat verstaan wij door wereldse wijsheid? Laten wij eerst een onderscheid maken. Er is immers een natuurlijke en goede wereldse wijsheid en er is ook een verkeerde.

De eerste is deze waartoe de wijsgeren en sommige grote geleerden kwamen, door het juiste gebruik van de rede. Zo worden onder de grote wijzen van deze wereld gerekend, om bij de ouderen te blijven: Plato, Aristoteles, Cicero, Seneca en anderen. Voorzeker waren zij grote geesten en zijn tot een merkwaardige kennis van de waarheid geraakt. Toch brachten zij ook geheel verkeerde stellingen naar voren.

Wat ons nogmaals bewijst, dat zonder de bijzondere steun van Jezus’ Wijsheid, het mensenverstand, alhoewel het tot de kennis van veel juiste begrippen kan komen, toch niet de volledige waarheid kan achterhalen. Het zou ons echter niet passen, zo wij onderschattend spraken over het goede dat zij vonden; dan zouden wij de kracht van het verstand miskennen, daar zij door het ordelijke gebruik van die gave Gods tonen, dat tot enige wijsheid kan geraken. Wat meer is, de genade doet ons integendeel alles naar waarde schatten en het is een valse stelling dat het mensenverstand, aan zichzelf overgelaten tot niets in staat zou zijn dan om te dwalen.

De genade vervolmaakt de natuur en zo zullen wij best begrijpen hoe grote geesten zoals St. Thomas, Bonaventura, op de bevindingen van vroegere wijsgeren uit de oudheid zijn voortgegaan om daarop een christelijke wijsbegeerte te bouwen.

Er bestaat evenwel een andere wereldse wijsheid, die beschreven staat in het oude Testament als volgt:

“Zo spreken zij die verkeerd hun verstand gebruiken: Kort is de tijd van ons leven en verdrietig en er is nog nooit een van de dood teruggekeerd. Wij zijn bij toeval hier op de wereld geraakt en na ons leven blijft er niets meer van ons over. Onze ziel is immers wat rook… en onze naam wordt met de tijd vergeten. Komaan dan, laten wij van de schepselen genieten terwijl wij jong zijn. Laat de kostbare wijn vloeien en geen enkele gelegenheid tot wellust voorbijgaan. Kronen wij ons met rozen, alvorens ze verslensen, dat er geen enkele plaats weze waar onze wellust niet gekend zij. Niemand van ons mag ontbreken, tijdens onze genietingen; want dat is ons lot en ons deel. Laat ons de rechtvaardige arme verdrukken en sparen wij ook de goederen van de weduwe niet. Dat de wet van het recht onze macht weze; wat zwak is kan ons niet weerstaan. Laten wij de rechtvaardige met hinderlagen bestoken, hij dient toch tot niets; hij verzet zich tegen onze werken en verwijt onze wetsvergrijpen en draagt de mare rond van onze overtredingen. Hij gaat er groot op dat hij de wijsheid Gods bezit en heet zich zelfs: zoon Gods. Door zijn doen- en denkwijze veroordeelt hij onze werken. Het weegt ons zwaar steeds te zien hoe gans and anders zijn handelwijze is dan de onze en hoe zonderling hij zich gedraagt. Hij aanziet ons voor vuig en vlucht ons als iets onreins, verkiest de dood der rechtvaardigen en roemt er op dat God zijn Vader is. Wij zullen eens zien of zijn woorden waar zijn… Indien hij een ware zoon Gods is, dat Deze hem dan bescherme en hem uit de handen van zijn tegenstrevers redde. Wij zullen hem eens beproeven met smaad en smarten, om te onderzoeken hoever het staat met zijn geduld en goedhartigheid. Tot een schandelijke dood zullen wij hem veroordelen. En dan moge hij zijn loon vinden, gelijk hij beweert” (1).

Daarop antwoordt de Geest Gods: “Zo denken ze en dwalen want de boosheid verblindt hun hart”. Inderdaad omdat zij de boosheid liefhebben, begrijpen zij niets van de geheime wegen langs waar God de gerechtige leidt en zij gelijken aan de duivel van wiens partij zij zijn.

De wereldse wijsheid, die hier beschreven is in haar geweldigste vorm moeten wij ook afwijzen in haar mildere vormen, waar ze niet gaat tot de uiterste wreedheid het leven van de evenmens te ontnemen, maar waar zij toch gaat tot de zorgloosheid om het hiernamaals en het op het laatste plan stellen van de zorg om de eeuwigheid. Deze wereldse wijsheid, die de rijken zalig heet omdat men met geld alles kan doen wat men wil; die geen medelijden heeft met hen die wenen maar in haar binnenste zegt, als ik het maar goed heb; wat gaat me het lot van de anderen aan; die steeds van rechten spreekt, nooit tevreden is, en om een andermans recht niet bekommerd; die de zuiverheid onmogelijk acht maar verstandig heet degene, die buiten de sporen loopt; deze wereldse wijsheid die haat zaait en twist zoekt om er baat uit te trekken, die zwijgt als de evenmens vervolgd wordt om zijn christelijke overtuiging en die een burgerlijk en neutraal katholicisme aanpreekt om rang en stand te kunnen bewaren; die ten slotte het kruis vlucht en er de schaduw zelf van vreest; deze wereldse wijsheid moet de volgeling van Jezus’ Wijsheid verachten en verzaken, en hij dient aanhoudend het evangelie te raadplegen, opdat hij de wereldse wijsheid in zijn hart zou kunnen uitroeien en verdelgen.

Wij vinden ze allerbest beschreven bij Louis-Marie Grignion de Montfort in zijn boekje: “De liefde tot goddelijke Wijsheid” welke we aan alle H. Hoofdvereerders aanprijzen.

De wereldse wijsheid is deze waarvan gezegd is: “De wijsheid der wijzen zal Ik doen vergaan (1.Cor.1,19), de wijsheid van het vlees is God vijandig”. Deze wijsheid der wereld komt volledig overeen met hare beginselen en gebruiken. Het is een voortdurend streven naar macht en aanzien; een verdekt zoeken naar eigen genot en eigen voordeel, niet op een grove en in het oog lopende manier door het bedrijven van schandelijke zonden, maar op een geslepen, bedrieglijke, sluwe wijze. Anders zou het volgens de wereld geen wijsheid meer zijn, maar losbandigheid.

Een wijze man volgens de wereld, is dus een gewiekste zakenman; een die alles tot eigen voordeel weet aan te wenden, zonder zelfs de schijn te hebben, dit te willen; die de kunst verstaat handig en op verkapte wijze te liegen en te bedriegen; die anders denkt en spreekt dan hij handelt; die bekend is met alle deftige manieren en complimenten; die zich weinig bekommert om de eer en de belangen van God; die heimelijk maar tot eigen bederf, de waarheid wil doen samengaan met de leugen, het evangelie met de wereld, de deugd met de zonde, Jezus Christus met Belial; die voor een man van eer, maar niet voor een vrome wil doorgaan; die lichtvaardig ook de beste oefeningen van godsvrucht veracht, veroordeelt en in kwade reuk brengt, omdat zij niet stroken met eigen praktijken. Een wijze volgens de wereld is eigenlijk iemand, die zich uitsluitend laat leiden door de zinnen en het licht der menselijke rede; die de schijn tracht aan te nemen van fatsoenlijk man, zonder zich er om te bekommeren om God te behagen en door boetvaardigheid de zonden uit te boeten die hij tegen de goddelijke Majesteit bedreven heeft.

Het gedrag van deze wereldwijze is gebaseerd op het punt van eer, het menselijk opzicht, de gewoonte, eigenbelang, deftige manieren, en een vrolijk leventje. Deze zes volgens hem onschuldige beweegredenen laat hij gelden om een rustig leventje te kunnen leiden.

In do ogen der wereldse mensen onderscheidt hij zich door enige bijzondere deugden zoals: durf, schranderheid, geslepenheid, handigheid, voorkomendheid, beleefdheid, geestige gezegden. Hij komt zo goed mogelijk de voorschriften der wereld na:

Gij zult de wereld naarstig dienen;

Gij zult leve: als een fatsoenlijk man;

Gij zult goed uw zaken behartigen;

Gij zult uw eigendom trachten te behouden;

Gij zult trachten iets te worden;

Gij zult u vrienden maken;

Gij zult in hogere kringen verkeren;

Gij zult goed eten en drinken;

Gij zult u door geen zorgen laten kwellen;

Gij zult niet zonderling, lomp of kwezelachtig zijn,

Zo is dan deze wereld bedorven, omdat ze slim en wijs is in eigen ogen. Op zulke geslepen wijze weet zij de waarheid te gebruiken om de leugen in te blazen, en met de beginselen van Jezus zelf haar handelwijze goed te praten, zo dat ook de wijzen volgens God in haar netten verstrikt geraken.

(1) zelfde plaats, vers 25

 

 

Vijfde Hoofdstuk: Beweegredenen van deze Godsvrucht

 

 

1. De voortreffelijkheid van Jezus’ H. Wijsheid            

Om de uitmuntendheid van Jezus’ Wijsheid in te zien is het goed een vergelijking te maken tussen die Wijsheid en het Licht. Jezus zelf heeft zich immers het “Licht van deze wereld” (Joh.9,5) genoemd.

Welnu, “geen voorwerp is meer waard onze aandacht gaande te maken dan Jezus, het Licht. Immers het licht is in de natuur het schoonste der goddelijke werken en om zo te zeggen de voorwaarde der andere. Het boeit onze ogen, die er voor gemaakt zijn. Wat zouden voor ons de wonderheden dezer wereld zijn zonder het licht! Daardoor krijgt alles kleur en springt het in het oog; vormen komen uit, omlijningen worden sterk, gedaanten worden duidelijk, alles wordt levend en verrijst. Bossuet ziet dan ook in het licht, het beeld van Gods Wijsheid (1).

Zoals ons oog gemaakt is voor licht, zo is onze geest gemaakt om het licht der eeuwigheid te beschouwen reeds van op deze wereld, namelijk Christus, het evenbeeld van de Vader. In dit Licht immers, krijgt heel ons leven zin en betekenis, volgens die Wijsheid is alles geschapen, en ieder schepsel draagt een spoor, een afdruk van de Zoon, juist zoals een schepsel van de wereld een klaarheid van de zon in zich draagt. Zonder Jezus is deze wereld hier een afschuwelijke hel, in een dikke duisternis gehuld; wij begrijpen er niets van, alles schijnt ongerijmd en onrechtvaardig. In Jezus krijgt alles reden van bestaan, want “Hij is het Licht dat iedere mens verlicht” (Joh.1,9).

De uitmuntendheid van Jezus’ Wijsheid wordt beschreven in de schriftuur als volgt: “Ze is een adem van Gods kracht en een zuiver uitvloeisel van heerlijkheid uit de almachtige God en daarom geraakt niets onrein in Haar; want een afschijnsel is zij van het eeuwige licht, een spiegel zonder vlek van Gods majesteit en een beeld van zijn goedheid” (Wijsh.7,25-26). En omdat ze een spiegel zonder vlek is zegt de Vader: “Deze is mijn welbemindste Zoon in Wien Ik mijn welbehagen gesteld heb” (Matth.3,17).

Maar nergens vinden wij beter haar voortreffelijkheid aangeduid dan in het zevende hoofdstuk van hetzelfde boek. “In haar is een geest van verstand, heilig, enig, veelvoudig, fijn, welsprekend, vaardig, onbesmet, onbedrieglijk, zachtaardig, het goede minnend, scherpzinnig, door niets belemmerd, weldadig, menslievend, goedertieren, bestendig, beslist, onbezorgd, bezittend alle macht, alles overziende en omvattende alle geesten, verstandig, rein, schrander” (Wijsh.7,22-23). “Wie zal”, zegt Grignion de Montfort, “nadat de H. Geest ons met zulke krachtige en tedere woorden op de schoonheid, de voortreffelijkheid en de rijkdom der Wijsheid heeft gewezen, haar niet beminnen en naar best vermogen zoeken? Te meer nog omdat ze een onmetelijke schat is, die bestemd is voor de mens en waarvoor de mens wederkerig gemaakt is, terwijl zij zelf een onbegrensd verlangen koestert zich aan hem mee te delen” (2).

Maar luisteren wij naar het begeesterend woord van Teresa: “Het is een wereld van eindeloze grootheid, een zee van bodemloze diepte, een nooit ondergaande zon van licht, met ontoegankelijke en onmeetbare hoogten in ongekende mysteriën van volmaaktheid en schoonheid” (3).

“O mijn God,” zegt ze verder, “waar zal ik de woorden vinden om uitdrukking te geven aan de glorie, de majesteit en de schoonheid van dat Aangezicht, waarvoor de Cherubijnen en Serafijnen in stomme bewondering en aanbidding neervallen. Evenmin als de apostelen op de Thabor, kan ik die glorievloed, die uitstroming van de Godheid verdragen. Ontdaan werp ik me dan neer op de grond en bevend van ontzag, aanbid ik wat sterfelijke ogen niet vermogen te aanschouwen, menselijke tong niet in staat is te beschrijven” (4).

Als wij al de teksten overschouwen vragen wij ons af: hoe moet dan niet op het Gelaat van de Meester de weerglans van die Wijsheid gelegen hebben? Het moet doorstraald geweest zijn van een bovennatuurlijke ernst en zachtheid. De schoonheid en de majesteit van zijn Gelaat, zegt de H. Chrysostomus, waren zo aantrekkelijk en zo eerbiedwaardig tevens, dat zij die Hem kenden, Hem onwillekeurig lief hadden en koningen zelfs uit de verste landen, tot waar de faam van zijn schoonheid was doorgedrongen, zijn beeltenis wilden bezitten.”

Als reeds Salomon werd bewonderd door de koningin van Saba om zijn wijsheid, zodat zij in onmacht viel voor het vertoon van zijn macht en grootheid, wat moet dan de uitdrukking geweest zijn van de majesteit op het wezen van de Zaligmaker. Daarom werd Hij ook al tijdens zijn passie geblinddoekt omdat Zijn ogen zo allesdoorschouwend keken en dat de beulen de stralen er niet van verdragen konden.

Zijn toeschouwers geraakten onder de indruk van zijn verheven woord toen zij spontaan uitriepen: “Nooit heeft een mens zo gesproken als deze!” (Joh.7,46), en bewonderend zeiden anderen: “Vanwaar heeft deze zulk een wijsheid?“ (Matth.8,34). Wat moet Hij aantrekkelijk geweest zijn om zijn wonderbaar woord, dat men Hem dagen achterna liep zonder eten en Hij zelf eerst medelijden kreeg met de schare en zeide: “Ik heb deernis met het volk; want reeds drie dagen blijven ze bij Mij, en ze hebben niets te eten, en hen nuchter wegzenden, dat wil Ik niet, omdat zij niet onderweg bezwijken (Matth.15,32). Zo verhangen waren zij aan zijn woord, zo verliefd op zijn aantrekkelijkheid, dat zij zouden bezweken zijn van honger, liever dan Hem te missen. Wat was er dan aan Hem, dat hen zo onweerstaanbaar meesleurde? Wat straalde er uit Hem, dat hen alles deed vergeten? Het moet er wel erg aan toe gegaan zijn, dat de Meester spreekt van ‘bezwijken’! Wat anders kon het zijn dan de Wijsheid die uit zijn H. Hoofd straalde met de zachtheid en de liefde van zijn Hart?

In het leven van de H. Hendrik Suzo, een Duitse mysticus, wordt ons verhaald hoe hij de eeuwige Wijsheid eens in visioen zag. Zij was gezeten op een ivoren troon, in een menselijke gedaante omgeven door een wolk. Haar aangezicht schoot stralen als die der middagzon; haar woord was al zoetheid en degenen die haar naderden schonk zij de volheid van alle goed. De heilige zag Haar in al deze pracht en wat hem het meest verwonderde was, dat ze nu eens Maagd scheen, dan weer een stralende Jongeling. Nu eens zag hij haar hoofd boven de hemelen verheffen, dan weer met haar voeten de afgronden der aarde raken, een andere keer zag hij haar vol majesteit, goedertierenheid, zachtmoedigheid en tederheid voor al degenen die haar naderden. Terwijl ze hem aldus verscheen sprak ze met hem met een lieflijke glimlach: “Mijn zoon, geef mij uw hart”. Onmiddellijk wierp Henricus zich aan haar voeten en schonk het Haar onherroepelijk. Laten ook wij ons hart, naar het voorbeeld van deze heilige voor altijd aan de Mensgeworden Wijsheid schenken (5).

(1) Roupain S.J., Sur les pas de Jésus, Première série; page 29.

(2) Zalige Grignion de Montfort, De liefde tot de goddelijke Wijsheid, blz. 45.

(3) Teresa Higginson, blz. 115.

(4) Teresa Higginson, blz. 121.

(5) Suzo aangehaald bij Z. Grignion de Montfort op.cit. blz.128

 

 

2. De voortreffelijkheid van de gave van Wijsheid

De H. Man Job zegt dat de mens haar waarde niet kent en dat zij met goud niet kan gekocht worden, en men haar met zilver niet kan ruilen (Job.28,15-16).

Niemand echter heeft haar uitmuntendheid zo zeer aangevoeld en bezongen dan Salomon waar hij zegt: “Dat zij beter is dan lichamelijke kracht” (Sap.6,1). En konden onze huidige mensen die zin begrijpen! Nu bewonderen de jongeren van onze eeuw een welgebouwde man om zijn spierkracht en lichamelijke sterkte en onze meisjes zijn verslingerd op de broze schoonheid hunner lichamen. Inwendige schoonheid wordt verwaarloosd, de schoonheid van de ziel, die geestelijke adel en waarachtige grootheid uitmaakt.

Salomon meent dat alle rijkdom niets is in vergelijking met haar, “Ik vergelijk ze niet,” zegt hij, “aan een edelgesteente, want alle goud is bij haar vergeleken, een weinig stof en zilver is als slijk te schatten voor haar aanschijn (Sap.7,8-9).

Een grote kwaal van onze tijd is de jacht op geld. Deze godsvrucht zal ons leren ons hart verpanden aan iets dat veel beter is dan goud en zilver. Door Jezus’ H. Hoofd te vereren zal in ons die waardering komen, waarover de H. Man Job klaagt dat ze niet door de mens gekend is.

“Boven alle schoonheid heb ik ze bemind… want alle goederen zijn mij door haar gekomen” (Sap.7,10-11). Zijn deze woorden niet het antwoord op die andere, welke Christus zelf uitsprak: “Zoek eerst het rijk der Hemelen en al het overige zal u toegeworpen worden”? Dit immers is de evangelische Wijsheid: het rijk der Hemelen op de eerste plaats te stellen. Boven alles God te zoeken en lief te hebben en daarin zijn genoegen te vinden. “Ik verheugde mij”, zegt hij verder, “want ik wist, dat zij de moeder was van alle goederen” (Sap.7,12).

Dit is een verdoken geheim voor alle wereldzoekers, maar een blijdschap voor alle echte vereerders van Jezus’ H. Hoofd, dat zij begrijpen dat “de wijsheid de moeder is van alle goederen”. Eenmaal dat de mens zich totaal overgegeven heeft, zoals Henricus Suzo, aan de goddelijke Wijsheid, dan vloeit in de ziel de blijdschap binnen van de algehele afstand aan zijn God. Dan wordt die gave, die Hij van zichzelf deed, door God honderdvoudig teruggegeven in de gave der wijsheid die Hij in onze ziel stort. Een ”oneindige schat is zij voor de mensen” (Sap.7,14) en zij die ze ontwikkelen worden deelachtig aan de goddelijke vriendschap; en zelf durft hij zeggen dat “niemand God bemint dan degene die met de wijsheid samenwoont” (Sap.7,28). “Haar heb ik bemind en van mijn jeugd af opgezocht en verlangd tot bruid te nemen, want ik was op haar schoonheid verliefd” (Sap.8,2). “Want haar omgang heeft geen bitterheid, haar gezelschap geen verveling, met haar is er opgeruimdheid en blijdschap, rijkdom, glorie en deugd” (Spreuk.8,18).

Sint Franciscus noemt in zijn “Begroeting der deugden” de wijsheid op de eerste plaats en zingt: “Wees gegroet, koningin Wijsheid, de Heer beware U met uwe zuster, de heilige, reine eenvoud (1). Verder volgen armoede, ootmoed, liefde, gehoorzaamheid en geduld.

Pater Ivo van Mohon die een tractaat schreef over de gave van Wijsheid, was gewoon te zeggen aan zijn biechtelingen: Laat in uw ziel de gaven van de H. Geest binnenstralen en vooral de gave van wijsheid.

De H. Jacobus herleidt de hele heiligheid tot de wijsheid en na hem doet het de engelachtige leraar Thomas ook. Ziet hoe hij haar uitmuntendheid aanduidt: “De wijsheid die van boven komt is ten eerste rein, dan vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, instemmend met het goede, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig, ongeveinsd” (Jac.3,17). Daarop geeft de H. Thomas dit commentaar: “Het komt aan de wijsheid toe niet alleen goddelijke dingen te beschouwen, maar ook de menselijke daden te regelen. In deze regeling nu komt op de eerste plaats: het afweren van het kwaad dat in tegenstelling staat met de wijsheid, waarom dan ook de vrees het begin der wijsheid wordt genoemd, in zover zij ons het kwaad doet vluchten. Zo is de gave der wijsheid rein omdat zij ons het bederf der zonde doet vluchten. Verder is ze bescheiden omdat zij aan de ziel, die gezuiverd is van de zonde, maat leert houden in alles. Zij geeft aan de ziel de neiging om ook andermans oordeel te waarderen, zij kan zich laten overtuigen en ontvangt gaarne raad en daarom is ze gezeggelijk; door deze drie deugden van reinheid, bescheidenheid en gezeggelijkheid wordt stilaan de vrede in de ziel gesticht. De zielen leiden naar de diepe rust van de kinderen Gods, dit is de wezenlijke bedoeling van de wijsheid; want zij is vreedzaam. Maar de vrede die zij brengt moet overlopen op de evenmens. De vreedzame ziel moet de vrede aan de anderen geven. Zij zal het doen met zich niet tegen het goede te verzetten maar ermee in te stemmen. Zij zal het doen met een medelijdend en toegewijd hart te hebben, vol van barmhartigheid te zijn en het met daden te tonen, en dit zijn de goede vruchten waarvan de apostel spreekt; ten slotte zal zij de vrede bewerken door nopens het kwaad en de zonde zich ongeveinsd en onpartijdig uit te spreken en te oordedelen” (2).

Pater Ivo, die wij hoger aanhaalden, nadat hij deze commentaar van Thomas gaf, zegt dan: Kan men nu deze lering overdreven vinden die alles herleidt tot de gave der wijsheid (3)?

Wij kunnen slechts de lering van deze geestelijke schrijver beamen. Is zij niet de stuwing van de bovennatuurlijke liefde, die alle krachten in onze ziel doet zoeken naar de goddelijke dingen?

(1)     Pater Engelbertus O.Cap., Geschriften van St. Franciscus, Paul Brand Bussum, 1921, blz. 14.

(2)      Summa Thomas Aquino, 2-2ae, Q-45, A 6, ad. 3ium.

(3)     Père Yves op. Cit. p. 110.

 

 

3. Andere beweegredenen om de H. Wijsheid van Jezus te vereren en te verlangen

Een eerste wordt door Teresa aangegeven. Door de godsvrucht tot het H. Hoofd zal ons de H. Geest worden medegedeeld tot verlichting van ons verstand en Zijn volmaaktheden die veelal voor ons verborgen blijven, zullen duidelijk aan de dag komen in de Persoon van God de Zoon en in zijn menselijke Ziel en zodoende zullen wij ook meer die H. Geest gaan beminnen die voor de meeste zielen een onbekende God is (1).

Een andere beweegreden is dat door de devotie veel afgedwaalden zullen weerkeren in de schoot der Kerk, o.a. zal zij, zo het Engelse volk deze genade niet afwijst, het middel zijn voor zijn terugkeer naar de Roomse Kerk (2).

Wij kunnen hierbij voegen wat de Gelukzalige Suzo beweert, dat wij slechts een goed begrip van de Voorzienigheid krijgen, langs de kennis van Jezus’ Mensheid; “Hoe zou een mens tot een betere kennis der goddelijke raadsbesluiten kunnen komen, tenzij door de Mensheid die God aangenomen heeft” (3).

Verder zegt ons nog dezelfde heilige, dat wij door de wijsheid leren lezen in het boek van Jezus’ lijden. En wat kan ons waarlijk meer doen denken aan de smarten van Jezus dan zijn H. Hoofd. Daarin toch lezen wij de droefheid zijner Ziel, wij beschouwen erin de doornenkroon, de bespotting der verachting, die Hij moest onderstaan, zijn verguisde Koningschap, zijn tranen, zijn doodzweet, in zijn ogen ligt een zee van smart, op zijn wangen branden de kus en de verraderlijke slag. Al zijn lijden is daar geconcentreerd. Welnu, zegt Suzo, de eerste lessen der Wijsheid zijn:

1. Breek af met het ongeregelde verlangen alles te willen horen en zien.

2. Bemin hetgeen waarvan gij walgt en wees er tevreden mee.

3. Wees uit liefde tot Mij niet zo delikaat voor uw lichaam.

4. Zoek in Mij uw rust.

5. Gij moet er toe geraken de lichamelijke pijnen en het kwaad dat uw evenmens u aandoet te beminnen.

6. Zoek de vernedering en de misprijzing op.

7. Maak een einde aan al uw begeerten en onderdruk uw verlangens (4).

Wij kunnen hier nog ten slotte de uitwerking van de gave der wijsheid bijvoegen, die en diepere kennis brengt van de mysteriën van het geloof, die de invloed vernietigt van alle valse princiepen en ons een recht en juist oordeel geeft in het zicht van de eeuwige dingen…

(1) Teresa Higginson, blz. 126.

(2) Teresa Higginson, blz. 137.

(3) Bx. Suzo. Oeuvres Mystiques, blz. 23.

(4) Bx. Suzo. Oeuvres Mystiques, blz. 27.

 

 

4. De actualiteit dezer godsvrucht

 

De l6de juli 1881 zei Jezus tot zijn bruid Teresa Higginson: “Het staat met deze devotie als met het mostaardzaad: hoewel nog weinig gekend en nog minder gepraktizeerd zal ze in de komende tijd de grote devotie der Kerk worden” (1).

Zij is dus voor onze tijd bedoeld. Waarom? Omdat zij aan een bijzondere nood van deze tijd voldoet.

1. Deze devotie is een tegenvergif voor de geestelijke hoogmoed in deze dagen.

Eerst tegen de vrijzinnige denkwijze der huidige mensen. “Onze Lieve Heer,” zegt Teresa, “gaf me te kennen: Veel werd er tegen Hem, tengevolge van wilszwakte en ongeregelde aandoeningen door zonden misdaan, maar de zonden van het intellect overtroffen deze toch in getal en grootte. De zonden van intellectuele hoogmoed onttrokken nu meer aan ooit zielen aan zijn liefde en de dienst der H. Kerk, en vulden de hel ernee; het zogenaamde licht der 19de eeuw is een dwaallichtje en brengt de mensen ertoe alleen naar kleurige schaduwen en holle zeepbellen te zoeken; ze weten er een schijn aan te geven; ofschoon ze er alle substantie aan ontnemen, de mensen hebben geleerd vergif te eten en zich daarmee te voeden, men geeft hen te drinken uit de stroom der zogenaamde wetenschap, waarvan het water vergeven is en dodelijk werkt. Daar dit licht, door de mensen zelf aangestoken, allen dreigt te misleiden (ik wil hiermee zeggen, dat het aantal van degenen, die het volgen, zeer groot is) zal Jezus, het ware licht, opstaan en licht, wijsheid en warmte over de aardbodem uitgieten. Hij zal van de stroom der kennis te eten geven, ons voeden met goede vruchten, de tarwe van zijn uitverkorenen en van de wijn, die maagden maakt, zal Hij ons nectar en honing te drinken geven (2).

Teresa tast hier de grond van alle dwaalleren aan, namelijk ‘het vrijdenken’. Een mens die zijn geloof verlaat en zijn rede als maatstaf neemt van zijn wereld- en levensbeschouwing, leert vergif eten, vermits de rede aan haar zelf overgelaten, meestal naar de dwaalleer overhelt. Dat weinig licht dat hij bekomt is een dwaallicht en daarmede misleidt hij zijn evenmens. Nu heeft dit rationalisme zo grote afmetingen aangenomen, dat het dreigt allen te misleiden en mee te voeren.

Een tweede uitwas van de geestelijke hoogmoed is ‘het materialisme’. “De mensen krenken de goddelijke Wijsheid door misbruik te maken van de drie vermogens hunner onsterfelijke ziel… zij trachten te bewijzen dat de stof eeuwig is en in zichzelf scheppende kracht heeft; dat er geen God bestaat en ook geen behoefte aan een God is. Gaat de natuur in één vorm te gronde, dan zou ze eenvoudig een andere aannemen; zo zouden bijvoorbeeld rottende lijken opgaan in gassen van allerlei aard en zich verspreiden in de lucht; die atomen zouden dan weer verbindingen maken, verschillende zelfstandigheden samenstellen en als een nieuw schepsel voor de dag komen; zo zouden stof en natuur uit zichzelf scheppende vermogens bezitten en geen behoefte hebben aan een ander scheppende Macht of Voorzienigheid, om tot bestaan te komen of er in gehandhaafd te blijven” (3).

Merk op hoe de communistische spreekwijze onzer dagen geheel deze manier van uitdrukken bezit. In Rusland moeten er geen kerken meer zijn zeggen zij, omdat het volk geen behoefte meer heeft aan God.

2. Deze devotie is actueel omdat zij aan God een aangepaste verering brengt, die Hij mag eisen om de huidige zonden van ongeloof.

“De mens tracht immers in zijn geestelijke hoogmoed en in de perversiteit van zijn wil de grote eeuwige God, Drie en Een, het Begin en het Einde van alles, uit de Hemel neer te halen en op de aarde uit te schakelen; het ongeloof heerst algemeen; de mensen die God loochenen, schudden alle wet en al wat hun lage hartstochten zou kunnen bedwingen, van zich af; waar immers geen God is daar kan ook geen goddelijke wet zijn, het ene gebiedend, het andere verbiedend.”

Welnu, God moet voor godslasteringen en beledigingen, Hem aangedaan, vergoeding hebben. Het mensgeworden Woord, de Wijsheid van de Vader biedt ons deze godsvrucht aan, waardoor herstel zal gebracht worden en de schuld zal betaald worden tegenover de oneindige rechtvaardigheid van God (4).

Jezus deed af en toe aan Teresa de glorie zien die Hem daardoor gebracht werd en het vurig verlangen om zijn H. Hoofd aanbeden te zien, vindt hierin zijn uitleg. “Onze Lieve Heer toonde mij de grote glorie die door deze devotie aan de allerheiligste Drieëenheid en aan zijn heilige Mensheid zou worden gebracht” (5).

Op de Hemelvaartsdag van het jaar 1881 “toen zij neerknielde om de driewerf heilige Drieëenheid te aanbidden, tot glorie van de heilige Mensheid, werd Teresa als het ware opgeheven en als opgelost in de hitte en glorie van de Zon der goddelijke Gerechtigheid en zij hoorde in de Hemel lofspraak en vreugdezang, door de aarde herhaaldelijk weerkaatst en er klonken liederen van dank en aanbidding ter ere van de Zetel der goddelijke Wijsheid. Toen zag ik, zegt zij, in een groot kristal weerspiegeld, de glorie, die de altijd gezegende Drievuldigheid door de devotie van het H. Hoofd zou ontvangen”.

(1) Teresa Higginson, blz. 138.

(2) Teresa Higginson, blz. 135.

(3) Teresa Higginson, blz. 143.

(4) Teresa Higginson, blz. 144.

(5) Teresa Higginson, blz. 129.

 

5. Groot verlangen van Jezus zijn H. Hoofd vereerd te zien

De eerste maal dat Teresa in haar brieven over Jezus’ verlangen spreekt, is in het jaar 1879. Op het H. Hartfeest van dit jaar had zij een schitterend visioen, waarover zij aan haar geestelijke leider schrijft. Welnu, daarin komen deze woorden voor: “Hij gaf me te kennen, dat een bijzondere devotie en verering moest worden ingesteld tot het H. Hoofd van onze Heer, als de Zetel van de goddelijke Wijsheid, en als de leidende macht van het H. Hart; en op deze manier moest deze laatste devotie voltooid worden (l). “Wij drukken er terloops op dat Jezus die twee godsvruchten niet wil gescheiden zien, daar Hij zegt; “voltooid”.

In haar 36ste brief aan haar geestelijke leider, drukt ze zich uit als volgt: “Het is de wil van Onze Lieve Heer dat zijn H. Hoofd zal aanbeden worden als Zetel van zijn goddelijke Wijsheid”, en legt verder goed duidelijk uit wat de Meester wil: “Niet zijn H. Hoofd afzonderlijk beschouwd, ik bedoel zoals wij zijn heilige handen en voeten vereren, neen – maar zijn Hoofd als het centrum van de krachten van zijn Ziel, van de vermogens in zijn Geest, en wel bijzonder als centrum van de Wijsheid, die leiding geeft aan elke aandoening van het H. Hart en al wat omgaat in heel het wezen van Jezus onze Heer en God” (2). Dit schreef ze op 27 april, beginnende met deze woorden: “De tijd is aanstaande dat de Wijsheid van de Vader zal aanbeden worden.”

Op 27 mei van het volgende jaar 1880, verscheen Christus haar in zijn glorie. “En zeer duidelijk deed Hij me dit zien, zegt ze; de tijd waarop Hij besloten is Zijn verlangen – een verlangen dat Hem bijna verteert – om zijn H. Hoofd aanboden en verheerlijk te zien, als Zetel van de goddelijke Wijsheid; de tijd, om dit verlangen aan de wereld kenbaar te maken, is op handen” (3).

Op 2 juni van hetzelfde jaar schrijft zij: “Onze Lieve Heer vroeg mij uitdrukkelijk, u namens Hem te zeggen, dat Hij verlangt: Zijn H. Hoofd moet een openbare eredienst hebben als Zetel van de goddelijke Wijsheid.”

Bij elke nieuwe openbaring schijnt de Heer haar sterker verlangen te geven en vertoont Hij ook zijn Verlangen in grotere kracht. Zo zegt zij in haar 49ste brief: “Weer deed Onze Lieve Heer me voelen wat buitengewoon verlangen Hem verteert, om zijn H. Hoofd vereerd te zien als de Zetel van de goddelijke Wijsheid. Toen ik ‘s vrijdags ‘s morgens mijn gewoon bezoek deed, zag ik met de ogen van mijn ziel Jezus als verbranden van vlammend vuur en het licht van die immer-schijnende zon scheen tot in de binnenste verborgenheden van zijn H. Hart door te dringen. Ik voelde dat onblusbare vuur ook mij verbranden. O God”, roept zij uit, “waar vind ik woorden, om wat ik zeggen wil uit te drukken. Ik bedoel, Onze Lieve Heer liet mij iets zien en voelen van dat verlangen in Hem, om zijn Hoofd vereerd te zien, zoals ik het, vroeger reeds gezegd heb. Ik zag, hoe de goddelijke Wijsheid heerste en hoe de vermogens van Jezus Christus’ heilige Ziel meewerkten aan de verlossing van de mensen: en bij hetgeen ik waarnam raakte ik buiten mezelf van bewondering en verbazing. Ik weet niet half meer wat ik zag, maar ik was geheel onder de indruk van het verlangen van Jezus” (4).

In haar 5lste brief gaat het crescendo: ‘‘Des zondags deed Hij me voelen, hoe pijnlijk Hij in zijn H. Hart uitzag naar de bekroning van alle devoties ten opzichte van zijn heilige Mensheid” en dan zet zij zelf de Meester aan, zijn verlangen kenbaar te maken. Roerend zijn deze hartkreten: “Maak bekend, o Heer, Uw verlangen om uw H. Hoofd vereerd te zien als de Zetel der goddelijke Wijsheid en om troost te krijgen voor uw dodelijk bedroefde Ziel. Wek medelijden, o Heer, mijn God, in de ziel van iemand die in staat is iets uit te richten. Sta op en toon dat Gij de almachtige God zijt. Doe het brandend verlangen van uw H. Hart kennen. Haast U, o God, in Uw eigen belang. Talm toch zo niet, ik bezweer het U bij uw allerkostbaarste bloed en bij uw bitter lijden…” (5).

Na zulke woorden zinken wij op de knieën en smeken van de Meester genade af, zijn wens te mogen voldoen voor onszelf en degenen die rondom ons leven!

(1) Teresa Higginson, blz. 113.

(2) Teresa Higginson, blz. 114.

(3) Teresa Higginson, blz. 123.

(4) Teresa Higginson, blz. 126-127.

(5) Teresa Higginson, blz. 128.

 

6. Beloften en waarschuwingen

Wat ons eigenlijk een sterke spoorslag kan geven tot het beoefenen van deze devotie zijn de beloften door Jezus gedaan aan hen die zijn H. Hoofd zullen vereren en navolgen.

Daar Teresa het grote verlangen van de Meester ook voelde en meende niet genoeg te doen voor de verspreiding, daar zij langs de ene kant Zijn grote begeerte gewaar werd, en anderzijds getuige was van de trage ontwikkeling ervan, viel zij in vertwijfeling. Jezus kwam dan zelf haar bemoedigen en liet de grote glorie zien, die Hem door de godsvrucht eenmaal zou gebracht worden en de bijzondere beloning voor hen die haar zouden bevorderen.

En gezien haar geestelijke leider ook deze vertwijfeling deelde, schreef zij hem een bemoedigend woord vanwege Jezus zelf: “U moest zich niet laten ontmoedigen door moeilijkheden, die zich zullen voordoen en door kruisen die talrijk zullen zijn”. En hier vinden wij een eerste belofte. “Een ieder die zal meehelpen om deze devotie te verspreiden, zal duizendvoudig gezegend worden”. Zij voegt er ook aan toe: “Aan hen die Mij eren, zal ik van mijn macht mededelen: ik zal hun God zijn en zij mijn kinderen: op hun voorhoofd zal ik mijn teken zetten en een merk op hunne lippen” (1).

Maar wat meer is, meerdere malen beloofde Hij nog grotere weldaden en zegeningen en zei dat al wat Hij beloofd had aan hen die naar behoren zijn H. Hart zouden liefhebben en vereren, ten deel zou vallen aan dezen die zijn H. Hoofd zelf zouden vereren, of bewerken dat anderen het deden.

Dit laat Teresa verstaan aan haar leider in de meimaand van het jaar 1883, wanneer zij schrijft: “Opnieuw drukte Hij mij op het hart dat alle beloften door Hem gedaan ten opzichte van de liefdepraktijken en de devotie tot zijn H. Hart, honderdvoudig zouden in vervulling gaan bij hen die de devotie van de Zetel van de goddelijke Wijsheid in praktijk zouden brengen” (2).

Dit is wel een belofte, die ons kan verheugen en aanwakkeren om Jezus’ verlangen in te volgen, maar laten wij verder luisteren naar Teresa hoe zij getuige was van de glorie bereikt door enige vurige verspreiders: “Voor het aangezicht van engelen en mensen zou Hij in het hemelse hof met glorie bekleden al wie Hem op aarde met eer bekleed hadden. Hij zou hun een kroon opzetten voor hun eeuwig geluk.” Ik nam de glorie waar, bestemd voor drie of vier van dezen en ik stond verbaasd over de grootte van hun loon en ik begreep dat Onze Lieve Heer en zijn H. Moeder deze hulde beschouwden als een vergoeding voor de beledigingen de alwijze en heilige God aangedaan, toen Hij uit spot werd gekroond en gehuldigd en als een dwaas werd gekleed en gekrenkt (3).

Een heel aparte beloning zou volgens de verzekeringen van Christus hierin bestaan, dat aan hen zou vervuld worden de belofte van het Boek der Openbaring, hoofdstuk 22, vers 4, waar er voorzegd wordt door de H. Apostel Johannes: “En zij zullen zijn Gelaat aanschouwen en zijn Naam zal op hun voorhoofd staan”. En niet enkel in de Hemel, maar ook reeds op aarde zou dit bewaarheid worden. Hierop zegt de Z. E. Heer Kwakman in zijn brochure over de godsvrucht: “In wat zin het eerste deel van die belofte in vervulling zou gaan; hoe zij die Jezus’ H. Hoofd zouden vereren ook op aarde zijn H. Hoofd zouden “zien”, of dit louter van diepe kennis, dan wel nog iets anders te verstaan is, valt moeilijk te zeggen. Het tweede deel van de tekst “en zijn Naam zal op hun voorhoofd staan” zou moeten betekenen, dat zij het kenmerk van Christus, Zijn Wijsheid, op het voorhoofd zouden dragen. Wie Hem om zijn Wijsheid zou aanbidden, zou ook op zeer opvallende wijze in zijn Wijsheid delen. God gave het, dat het ons allen te beurt mocht vallen. Wij hebben het zo nodig” (4).

Wij onderschrijven geheel het verlangen van deze vurige verspreiders der devotie. Gave de Heer dat er wat meer christelijke wijsheid in deze dwaze wereld kwam!

Maar tegenover deze schone en hartversterkende beloften staan harde en wrede bedreigingen en wij vragen ons af hoe dicht deze godsvrucht aan het Hart van de Meester moet liggen, indien Hij zo spreekt. Hij rijst hier op in de houding, die Hij aannam tegenover de farizeeërs en spreekt het ‘Wee’ uit: Wee degene, zegt de Meester, die ze verwerpt of die in dit opzicht Mijn verlangen tegenwerkt: hij zal door mijn wraak vermorzeld worden en van zijn plaats verdwijnen.

En van angst beeft Teresa voor de zware straffen die hen wachten, die de bevordering ervan zouden verhinderen of trachten te verhinderen. “Hun monden, zegt Jezus, zullen gesloten worden zoals die van de leeuwen in de kuil waar Daniël was opgesloten; ze zullen te gronde gaan en als niets worden.”

Nog wreder klinkt de volgende bedreiging: “En degenen die zullen beproeven, met woorden of werken, ze te verhinderen of te doen ophouden, het zal met hen vergaan als met een glas dat stuk gesmeten wordt of als een ei dat tegen de muur wordt gegooid, dit wil zeggen; ze zullen verbrijzeld en tot niets gemaakt worden, ze zullen uitdrogen en verdorren als gras boven op het dak” (5).

Na zulke waarschuwingen bidden wij samen met Teresa het schone gebed, dat spontaan uit haar ziel moet ontsprongen zijn bij deze vreselijke voorspellingen en dat ze ons ook nagelaten heeft in een van haar brieven: “O Heilig Hoofd, moge Uwe Wijsheid ons altijd leiden: moge uw Heilige Tong ons altijd zegenen en vragen om genade en vergeving en mochten wij toch nooit het vonnis horen, uitgesproken tegen degenen, die deze devotie zouden tegenwerken of minachten” (6).

(1) Teresa Higginson, blz. 125.

(2) Teresa Higginson, blz. 142.

(3) Teresa Higginson, blz. 130.

(4) H. Hoofd van Jezus, Kwakman, blz. 59.

(5) Teresa Higginson.

(6) Teresa Higginson, blz. 126.

 

LEES HIER VERDER: https://teresahigginson.wordpress.com/2013/04/19/doc-h-hoofd-devotie-deel3/