H.Hoofd Devotie

TERESA HIGGINSON

 en de

DEVOTIE TOT

HET HEILIG HOOFD VAN JEZUS,

ZETEL VAN DE GODDELIJKE WIJSHEID

 

tot heilmiddel

van de hedendaagse kwalen

van ongeloof en geestelijke hoogmoed

 

Z.E.P. Marcel

 

Bewerking door pastoor J. Geudens

                                                 

INHOUDSOPGAVE

 

Woord vooraf

Bronnen

Hoofdstuk I: Noodzakelijkheid van Jezus’ Wijsheid voor ons christelijk leven

1. God heeft zich van Jezus bediend om de mens de Waarheid te leren

2. God bedient zich van Jezus’ Leer om ons te verlichten

3. God heeft aan Jezus het laatste oordeel overgelaten

4. Noodzakelijkheid van de Wijsheid voor de christenen

1) voor alle christenen

2) voor hen die naar de volmaaktheid streven

3) voor de geestelijke leiders

4) voor alle overheden

5) in de laatste tijden der Kerk

Hoofdstuk II: Grondslagen van deze Godsvrucht

1. Jezus’ H.Hoofd, Zetel der Goddelijke Wijsheid

2. Jezus’ H.Hoofd, Zetel van Zijn Menselijke Wijsheid

1) Eerste wetenschap: de zaligende Godsaanschouwing

2) De ingestorte wetenschap of de wetenschap der Engelen

3) De eigenlijke menselijke kennis of de kennis door ervaringen, bij middel van de zinnen opgedaan

3. Jezus’ H.Hoofd is de grootste achting en de goddelijke eer verschuldigd

4. In Jezus is het H.Hoofd het middelpunt van al de vermogens Zijner Ziel

5. Jezus’ H.Hoofd is ook het middelpunt of de leidende macht van al de gelovigen

1) Jezus is vervolgens het “Licht der onderwijzende Kerk”

2) Verder is Jezus’ H.Hoofd ook het “Licht der onderwezen Kerk”

6. Jezus’ H.Hoofd is de leidende macht van al dezen die gescheiden zijn van de Kerk

Hoofdstuk III: Kentekenen van deze Godsvrucht

1. Zij is inwendig

2. Zij is ootmoedig

3. Zij is betrouwend

4. Zij is voorzichtig

5. Zij is uitziende naar het Licht

Hoofdstuk IV: Het wezen van deze Godsvrucht

1. Jezus’ Wijsheid vereren

2. Twee soorten verering

1) Inwendige verering

2) Uitwendige oefening

3. Jezus’ Wijsheid beleven

4. Wij moeten de wereldse wijsheid verlaten zo wij de Wijsheid van Jezus willen bezitten

Hoofdstuk V: Beweegredenen van deze Godsvrucht

1. De voortreffelijkheid van Jezus’ H.Wijsheid

2. De voortreffelijkheid van de gave van Wijsheid

3. Andere beweegredenen om de H.Wijsheid van Jezus te vereren en te verlangen

4. De actualiteit van deze Godsvrucht

5. Groot verlangen van Jezus Zijn H.Hoofd vereerd te zien

6. Beloften en waarschuwingen

Hoofdstuk VI: Beledigingen en eerherstel

1. Aantal en grootheid der beledigingen

1) Aantal

2) Grootheid

2. Hulde en eerherstel

3. Enige bijzondere redenen om het H.Hoofd hulde te brengen

4. Individuele of persoonlijke hulde aan Jezus

1) Jezus H.Hoofd als orgaan van de Wil

2) Jezus H.Hoofd als orgaan van het Geheugen

3) Jezus H.Hoofd als orgaan van het Verstand

5. Beschouwing over de wijze om Jezus te benaderen

Hoofdstuk VII: Oefeningen en gebeden

Oefeningen

1. Het Feest vieren van Jezus’ H.Hoofd

2. Het Feest vieren van Christus Koning

3. Sinksenviering

4. De tweede maandelijkse Communie

5. De Vrijdagviering

Gebeden

1. Gebed uit het Boek der Wijsheid

2. Vijf kleine gebeden uit de Schriftuur voor de Wijsheid Gods

3. Zes gebeden van Teresa Higginson tot het H. Hoofd

4. Andere gebeden

Hoofdstuk VIII: De Godsvrucht tot het H. Hoofd en de overige godsvruchten

1. De Godsvrucht tot het H. Hoofd is de kern en het doel van al de andere godsvruchten

2. H. Hoofddevotie en H. Aanschijn; onderscheid – aanvulling – bekroning

3. H. Hoofddevotie en de H. Ziel van Jezus

4. H. Hoofddevotie en de Godsvrucht tot de Heilige Geest

5. H. Hoofddevotie in verband met de ware Godsvrucht tot Maria

6. Voor hen die een houvast zoeken

Aanhangsel

1. Beloften aan de vereerders van het H. Aanschijn

2. Beloften aan de vereerders van het Heilig Hart

3. Beloften aan de vereerders van het H. Hoofd

Nawoord pastoor Geudens

 

Bibliografie

 

Woord vooraf

Deze verhandeling is geen leesboek, maar een naslagwerk. Ieder artikel afzonderlijk dient overwogen te worden en wat meer is, beleefd te worden. Een godsvrucht is niet iets om een nieuwsgierigheid te voldoen, zij is er ook niet als een sensatie, iets nieuws, waarvan alles afhangt en zonder dewelke de zaligheid niet mogelijk is. Ze is een genade, een aanbod, een uitnodiging tot dieper spiritueel leven; ze is een gelegenheid om God en Gods wegen beter te leren beseffen; ze is een houvast in de duisternis rondom ons: de Christus die meeging met de Emmaüsgangers en voort wilde gaan maar er bijgeroepen werd: “Blijf bij ons, Heer”. Dit wenst U, geachte lezer, van ganser harte de schrijver.

Ik dank bij deze gelegenheid de Heer Jan Jongen om zijn nauwgezetheid waarmede hij de tekst persklaar maakte en om zijn mooie uitwerking. Ik dank tevens de familie Devlam van Brugge, vooral de Heer Valeer Devlam om zijn herziening van de taal, en Mevrouw Devlam-Serreyn, Lucrèce, typiste.

Waar in dit boek termen voorkomen als “heilig”, “wonder”, “profetie”, “openbare cultus”, “wil Gods” en dergelijke, wil de schrijver het oordeel van de Kerk niet vooruitlopen. Vooral wat “openbare cultus” aangaat houdt de schrijver zich aan het dekreet van l8 juni l938 van de H.Congregatie van het H.Officie, waardoor de invoering van een openbare eredienst tot het H.Hoofd, zetel of orgaan der Goddelijke Wijsheid, niet wordt toegestaan. Dit boek is bedoeld als een uiteenzetting op theologisch en devotioneel gebied tot privaat gebruik. Wat de theologische en geestelijke leer aangaat aanvaardt schrijver de door de Kerk voorgehouden leer, ingeval sommige van zijn uitdrukkingen dubbelzinnig zouden kunnen verstaan worden.

De aanhalingen van teksten uit het leven van Teresa Higginson komen uit het boek door Lady Cecil Kerr in het Engels geschreven ten jare 1926, en door Z.E.Heer Kwakman in 1932 in het Nederlands vertaald, met kerkelijke goedkeuring. De volledige titel is: Teresa Helena Higginson, door Cecil Kerr, uit het Engels vertaald door Th.Kwakman, pastoor, 1933, Uitgeverij Pax, Chasséstraat 6, Den Haag, en Terug ter Orde, Amerikalei, 100-110, Antwerpen.

Waar in dit werk de term “Wijsheid” voorkomt, moet steeds dit woord als wijze liefde, wijs handelen, wijze wil, verstaan worden.

Fr. Marcel ofm.cap.

 

Bronnen

Boodschap van Wijsheid Gods voor de XX-ste Eeuw, Tweede vervolg, Handboek voor de Godsvrucht tot het Heilig Hoofd van Jezus, Z.E.P. Marcel, (nabij Brugge), (eindredactie omstreeks 1962), blz. 1-106.

Website http://www.teresahigginson.wordpress.com (2012) met als inhoud:

1. Levensschets Teresa Higginson – Theologische reflectie van pater Marcel over het leven van mystica Teresa Higginson.

2. Handboek H. Hoofd Devotie – Theologie van de Godsvrucht tot het H. Hoofd van Jezus, Zetel van Goddelijke Wijsheid; Theologische reflectie van pater Marcel over de brieven van mystica Teresa Higginson (hoofdstukken 1 t/m 8)

3. Naklanken uit 1937 – Onderzoek naar de bronnen en getuigen rondom Teresa Higginson en de H. Hoofddevotie; Reisverslag van pater Marcel naar Engeland.

 


Eerste Hoofdstuk: Noodzakelijkheid van Jezus’ Wijsheid voor ons Christelijk leven


1. God heeft zich van Jezus bediend om de mens de waarheid te leren

Toen God ons wilde verlossen van de verloren gerechtigheid en ook al om onze toestand op aarde dragelijker te maken, heeft Hij een Mens gekozen opdat onze verlossing menselijk en goddelijk zou zijn. Hij gaf ons een hemelse maar ook menselijke Leraar, die Hij met zijn Wijsheid vervulde, zo hoog en zo wonderbaar, dat de mensen van Zijn tijd zeiden: “Zo heeft niemand ooit gesproken”.

God kon zijn eigen Wijsheid, welke immers alle begrip te boven gaat, niet aan de mensen tonen. Om ze dan toch bevattelijk te maken voor onze zwakke geest, gebruikte Hij Jezus’ geest — een echt menselijk verstand vol van veelzijdige kennis. Dit gaf de mens vertrouwen, zodat hij luisterde naar Hem en zelfs durfde vragen en redetwisten, omdat hij meende met een louter mens te doen te hebben.

Isaïas zag Jezus als een Mensenzoon, verrijkt met grote kennis: “Op Hem zal de geest van de Heer rusten, de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en sterkte, de geest van kennis en godsvrucht en vrees voor Jahweh, zal hem vervullen.”

Wij leven tegenwoordig in een tijd, waarin niet meer zozeer de liefde tot God wordt aangevallen, zoals ten tijde van Maria Margareta Alacoque, toen men nog in God geloofde, maar Hem als een onverbiddelijke Rechter aanzag; neen, onze tijd valt God aan in zijn schikkingen en raadsbesluiten en ten slotte in zijn bestaan. Allerlei gedachtestromingen, filosofische, politieke en economische, breken zijn wereldbestuur af en komen alle tot hetzelfde besluit: Hoe kan er een God bestaan die de wereld zo laat evolueren naar eigen vernietiging. Men zoekt dan buiten het evangelie, buiten Jezus’ Wijsheid, om het leven betekenis te geven, o.a. door arbeid en productie zonder meer, door een altijd opvoeren van stoffelijke welvaart, want geloven in een God, die de mensen niet helpt, heeft geen zin. Het leven is absurd.

Materialisten zeggen: geniet van de welvaart door gezamenlijke inspanning verworven, maar ze horen de stem niet van de mensenziel, die buiten die verfijnde producten nog iets meer vraagt, daar ze verzadigd en ziek wordt van de stof.

De Goddelozen zeggen: God is een ingebeeld wezen; maak u vrij van buitenwereldse wezens, die de wetenschap nooit aangetroffen heeft in haar laboratoria en wees gelukkig met de altijd vooruitschrijdende waarheid van de wetenschap; maar zij kunnen de vrees niet wegnemen van de uitwassen van de wetenschap, die een uitroeiingoorlog heeft uitgevonden.

De Vrijzinnigen zeggen: geloof wat ge wilt; feitelijk trekt die God, waarin gij gelooft, zich ons niet aan; maken we ons zelf onze wetten van broederliefde en gelijkheid. Leef rationeel, zoals uw gezond mensenverstand u zegt. Ge hebt geen voorzienigheid nodig als ge tegen alles verzekerd zijt en bidden is ook nutteloos. Helpt U zelf.

Zo beproeven deze stelsels een mensheid te vormen, die geen echte verlossing, noch op aarde, noch hierna, nodig heeft.

Heeft de mens ook op aarde een verlossing nodig? Ja, uit onwetendheid en wilszwakte.

De onwetendheid wordt – niettegenstaande de vorderingen der wetenschap – een groter leed, naarmate de valse leringen steeds vermeerderen en allerlei sekten nieuwe wijsheden verkondigen. Wie bezit er ten slotte de waarheid, vraagt de enkeling zich af, daar de meesten elkaar tegenspreken.

De wilszwakte wordt ook een groot lijden, naarmate de mens zich meer verhangen voelt naar steeds aanlokkelijker goederen voor zinnen en geest. Nooit sloeg de dood op alle plaatsen en momenten toe zoals heden, gezien het drukke verkeer, ingewikkelde arbeidsomstandigheden, gevaarlijke sport en ontspanning. Nog steeds valt het levenslijden veelal op de zwakke, de arme, de gebrekkige, niettegenstaande allerlei organismen van veiligheid en leniging. Hoe vecht zich de enkeling uit de vrees voor ontrouw en oneerlijkheid van familieleden en vrienden, die door de roes der driften worden meegesleept “begoocheld als ze zijn door de onbenulligheid” van de opgedreven reclame, het winstbejag, het genot en zo meer?

De arme hedendaagse mens, die zijn nood aan waarheid en wilsterkte ook voor deze aarde negeert, moet hopeloos verdwalen en kan het echte geluk hier niet bezitten. Hij reageert dan meestal als volgt: hij houdt zich vast aan wat de aarde op het moment biedt, vlucht van God weg, totdat hij geestelijk ineenstort en niet zelden tot zelfmoord overgaat.

Toch kan hij wel eens onder de bekoring komen van het menselijke in Jezus en hij zal Hem dan rekenen onder de wijze mannen aller tijden zoals Boeddha, Mozes, Mohammed, Confusies, e.a. Hij zal Hem even bewonderen om zijn minzaamheid en weldadigheid, maar zijn volledige leer zal hij onmenselijk heten, daar zij enige onaangename dingen vraagt. Hij vergeet hierbij dat zij én menselijk én goddelijk is en niet in tegenspraak komt met zijn levensgeluk, daar God die de mens schiep, toch best weet wat hem past en hoe hij op de wereld en erbuiten best tot zijn bestemming komt. Derhalve zullen zij die Jezus’ Wijsheid vereren en de goddelijkheid er niet uitschakelen, juist de overeenkomst bewonderen van zijn leer met de menselijke betrachtingen.

Als de Eeuwige Vader zich heeft willen bedienen van de Mens Jezus om ons de waarheid mee te delen en daardoor ons getoond heeft hoe Hij het menselijke geslacht waardeert, dan willen we nu zien waarin die leer wijs is.

2. God bedient zich van Jezus’ leer om ons te verlichten

Wie een begrip wil verkrijgen van de menselijkheid van Jezus’ woorden, moet willen aannemen dat de Verlosser niet alleen voor het aardse geluk der mensen kwam, maar voor hun eeuwig, waaraan het aardse is verbonden. Dit vraagt van hen dat ze Hem geloven en Hem betrouwbaar achten en dus zijn woorden willen overwegen. De lichtzinnigheid is bijgevolg de grootste hindernis. Een oppervlakkige kennis met een spontane weerzin voor de harde kanten van zijn leer, kan nooit de wijsheid van Jezus’ woorden bereiken. Hier vergaat het zoals met sommige vruchten: een bitter omhulsel en een harde schaal verbergt een zoete pit. Men moet van goede wil zijn, de moedige zoeker vindt de waarheid.

Leggen wij er de nadruk op, dat God onze onwetendheid wil genezen, want Hijzelf “is licht en duisternissen zijn er in Hem niet” (Joh.1,5). God wil de zoekende bijstaan, want “wie Mij volgt zal niet in de duisternis wandelen” (Joh.8,12). Indien wij met zovele vragen en onopgehelderde gedachten rondlopen is het meestal omdat wij zijn woord niet overwegen dat ons “roept uit de duisternis naar zijn wonderbare licht” (1 Petr.2,9).

Wijs zijn of wijsheid bezitten is dus een roeping vanwege de Vader. Dat de “heidenen een verduisterd verstand hebben” (Eph.4,18) is begrijpelijk, maar “gij broeders,” zegt Paulus, “verkeert niet in duisternis; (1 Thess.5,4) gij moet als kinderen van het licht wandelen” (Eph.5,8).

Zo wij dus de leer van Jezus dwaas vinden en het leven doelloos en zinloos, zo wij bekoord worden tot afval is het veelal onze schuld omdat we het licht van Christus niet afsmeken en omdat wij Gods hulp door de genademiddelen als biecht en eucharistie voorbijgaan.

De Vader wil het licht en beweegt ons om wereldse leraren te vluchten; de mens echter die graag naar allerlei opinies luistert en volstrekt alle theorieën wil lezen zet zich in zware verzoeking. Jezus moet in onze geest kunnen werken; verhinderen wij dan zijn werking niet met naar alle meningen te luisteren. Voor duizenden christenen zijn de geloofswaarheden vaag, licht en zwak geworden zodat ze geen invloed uitoefenen op hun wil en levenswijze. Het licht botst af. Zij beminnen de nacht van nieuwe zienswijzen en stelsels, de nacht van een uitgerekte moraal tot immoraliteit, de nacht van kritiek op de welgekende waarheid. Het eenvoudige licht van het evangelie is niet helder genoeg meer, zij zoeken nieuwe vuurbakens; op hen is het woord van de Meester toepasselijk: “Indien het licht, dat in u is, duisternis wordt hoe groot dan zal de duisternis zijn” (Math.6,23).

Men moet bijgevolg zoals de Heilige Arme “naar het licht hongeren” (Job.17,17), door de woorden van Jezus te wikken en te wegen en ons niet te scharen bij hen die liever de duisternis dan het licht lief hebben” (Joh.3,19), “want er is geen gemeenschap tussen beide” (Kor.6,14). Overigens zijn we met Jezus als ledematen verbonden, ranken van de wijnstok, die het sap uit de stam ontvangen. Wij staan dus onder een en dezelfde inwerking. Het betaamt dat ledematen van eenzelfde lichaam onder het bevel van het hoofd staan, zij zijn vastgegroeid tot een geheel. Wij krijgen allen het licht van Jezus, die ons centrum is. Jezus zendt naar de ranken de geloofskracht, de christelijke wijsheid, de verlichtende genade of, als gij een ander beeld wilt; Jezus regelt uit de centrale de elektrische stroom, wij moeten de schakelaar open draaien.

Sinds de Meester ten Hemel gevaren is, houdt Hij niet op aan onze verlossing te werken. De zondeschuld door zijn offerdood gedelgd hebbend, is Hij eigenlijk voor goed zijn werk begonnen, de bekomen genade uit te delen. Sindsdien heeft Hij voor ieder van zijn ledematen een bijzondere aandacht, omdat Hij voor eenieder zich geofferd heeft. Gelijk wij onze ogen voor stof, besmetting, kwetsuur, met zorg beschermen, zo draagt Hij een allesovertreffende zorg voor hen die Hij van de Vader gekregen heeft, zoals Hij aan Teresa Higginson liet verstaan: “Zeg aan allen dat geen enkel van hen, die mijn Vader Mij gegeven heeft, zal verloren gaan”, wat zeggen wil, dat het niet aan Hem zal liggen, dat iemand zijn geloof verliest, zoals het met de Emmaüsgangers verging, die twijfelden. Hij kwam als een mens, een reiziger bij hen, sprak menselijke en goddelijke taal en overtuigde hen.

Het wordt om al deze redenen begrijpelijk dat een dagelijkse oefening van de vereerders van Jezus’ Wijsheid zal zijn: in alle momenten van twijfel of onbegrip naar onze Leider op te zien, Hem zijn verlichting te vragen om de inwerking van zijn verlichtende genade te bekomen.

“Oh Wijsheid van het H.Hoofd, leidt ons op al onze wegen”.

3. God heeft aan Jezus het laatste oordeel overgelaten

In het evangelie van Johannes lezen we, dat “het oordeel geheel aan de Zoon gegeven is” (Joh.5,22). Zo is de wil van de Vader: “Hij gaf Hem de macht om oordeel te vellen, omdat Hij de Mensenzoon is”. Johannes zegt: “Verwondert u daarover niet” (Joh.5,27).

Wij zullen dus door een Mens, die God is, geoordeeld worden. Leggen wij hier de nadruk op “Mensenzoon” en op de woorden “omdat Hij de Mensenzoon is”. De Vader wil dat het oordeel, dat goddelijk is, ook menselijk zou zijn. In dezelfde tekst zegt Johannes dan weer, dat dit echt menselijk oordeel nochtans goddelijk zal doorstraald zijn: “Ik kan niets uit Mijzelf doen; maar Ik oordeel naar wat Ik hoor; en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn wil zoek maar de wil van Hem, die Mij heeft gezonden” (Joh.5,30). Dat het menselijk zal zijn staat ook in de tekst: “Meent niet dat Ik u bij de Vader zal aanklagen, uw aanklager is Mozes op wien gij hoopt” (Joh.5,45). Mozes nu was een wetgever. In dit grote Gericht zullen overigens nog andere mensen Jezus gelijk geven, volgens dit ander woord: “Voorwaar, ik ze u, Gij die mij gevolgd zijt zult bij de wedergeboorte… op twaalf tronen gezeten zijn en de twaalf stammen van Israël oordelen” (Matt.19,27).

Er zijn immers daden, die door alle oprecht menselijk gemoed veroordeeld worden, zoals folteringen, verdrukking, hoogmoed, haat, enz…; verder is er de wandaad van het verwerpen van een geloofwaardige getuige, die Jezus was. Op alle manieren bewees Hij Zijn zending en toch verwierp men Hem. Het is dus billijk dat zij die Hem op rechtschapen wijze aanvaard hebben, met Hem ook samen oordelen. Het oordeel wordt dan een oordeel van heel het Mystieke Lichaam tegen hen, die er geen deel van wilden maken, zo zal dan de Gemeenschap medevonnissen en mede-vrijspreken.

Uit het feit dat aan Jezus en zijn Gemeenschap dit oordeel overgelaten is, volgt dat, wil het menselijk zijn, alle omstandigheden in acht zullen genomen worden van tijd en plaats, voorbedachtheid of onbewustheid, kennis en onwetendheid, die verzachting of verzwaring van de schuld pleiten; ook erfelijkheid, gewoonte, mentaliteit, opvoeding, midden, gelegenheid, kortom alles wat tot een rechtvaardig oordeel – onverbiddelijk kan wel eens verkeerd begrepen worden – nodig en nuttig is.

Om dit te kunnen zal het ook goddelijk zijn. De Mens Jezus moet ingelicht zijn over het verleden van ieders leven; Hij moet alle tijden kunnen doorschouwen, alle harten kunnen inzien en alle mensenlevens voor zich zien. Inderdaad, Hij die weet hoe groot de straf is, zal al het mogelijke doen, om er de zielen aan te onttrekken en zo vermoeden we, dat Hij het bestuur over mensen en wereld heeft gekregen om hen naar hun zaligheid te leiden.

Het Boek met de zeven Zegels: De H. Johannes beschrijft, hoe aan Jezus het wereldbestier werd gegeven (1). Hij spreekt van een boek dat geopend wordt door het Lam en hoe volgens die opening de wereldgebeurtenissen hun gang gaan. Ieder zegel wordt verbroken en aldus krijgen wij een inzicht in de raadsbesluiten van God over Jezus’ bestuur der zielen en de inrichting van de wereldgebeurtenissen om dit zielebestuur mogelijk te maken (2).

Nadat de Adelaar tot voor Gods troon is gevlogen en de Godheid heeft beschreven, pakt hij de beschrijving aan van Jezus’ aanstelling over het mystiek lichaam of de zielen-gemeenschap zijner uitverkorenen.

“Toen zag ik in de rechterhand van Die op de troon is gezeten, een boek van binnen en buiten beschreven, met zeven zegels verzegeld”. De Vader houdt dus in zijn hand een papyrusrol, als iemand die een geschenk aanbiedt. Al de geheimen van het goddelijk plan om onze zaligheid te verzekeren, staan er in overvloed op, “van binnen en van buiten” en het boek is verzegeld, omdat de inhoud nog zijn verwezenlijking afwacht. Het tijdsverloop der wereldgeschiedenis wordt in zeven ingedeeld daar dit getal als een volmaakt geheel wordt aangezien.

“En ik zag een machtige engel, die met een geweldige stem uitriep: Wie is er waardig het boek te openen en zijn zegels te breken? Maar niemand in de hemel, op de aarde, of onder de aarde kon het boek openen of er een blik in slaan.” De engel nodigt vervolgens heel de schepping uit om de raadsbesluiten van God te doorgronden, maar niemand is daarvoor in staat.

“En ik weende bitter,” zegt Johannes (3), “omdat niemand waardig bevonden werd (uit de stam der mensen) om het boek te openen of er een blik in te slaan”. De heerlijkheid Gods is zo groot, Zijn Wijsheid is zo verblindend en de onwetendheid van de mens zo laag, dat hij niet in staat is ze te aanschouwen. Maar ween niet: “Zie de leeuw uit de stam van Juda, de wortel van David heeft overwonnen, om het boek te openen en zijn “zeven zegels”. Een van uw stam, de Mensenzoon zal het gegeven worden, in te dringen in de raadsbesluiten van de Vader en wat meer is, Hij zal de toelating krijgen de wereld te besturen tot voordeel van de uitverkorenen. “En ik zag een Lam staan alsof het geslacht geweest was, dat zeven horens had en zeven ogen, welke de zeven geesten van God zijn, die over de aarde worden gevonden”.

Dat het ‘als geslacht staat’ betekent: dat het, gezien zijn overwinning, recht heeft op datgene wat de Vader Hem zal toevertrouwen. De zeven horens zijn de volheid van zijn Macht, de zeven ogen de volheid van zijn Wijsheid.

“Het Lam kwam naderbij en ontving het boek uit de rechterhand van Hem die op de troon was gezeten,” en toen zong de Hemel het lied: “Waardig zijt Gij het boek te ontvangen en zijn zegels te breken, omdat Gij zijt geslacht geworden, hebt met uw bloed voor God gekocht: alle stammen en talen uit alle volken en naties. Gij hebt ze gemaakt voor onze God tot een koningschap en priesters, en heersen zullen ze over de aarde”.

Jezus’ mensheid krijgt dus hier het recht van de Vader om te beschikken over de raadsbesluiten en ze uit te voeren. Hij krijgt het alleenbeschikkingsrecht over het boek en zijn inhoud, d.w.z. het bestuur der komende gebeurtenissen; daar Hij de mensen verlost heeft behoren ze Hem toe als een verovering. Maar de vrijgekochten gelijken op Hem; zij delen in zijn regeringsmacht door de wijsheid, die ze door navolging beoefenden, en zij delen in zijn priestermacht door de bemiddelende offers en gebeden, die zij als Hij deden.

“En terwijl ik toezag, hoorde ik de stem van vele engelen rondom de troon en de dieren en de ouderlingen; en hun getal was tienduizend maal tienduizend en duizend maal duizenden. En ze riepen met machtige stem: Waardig is het Lam dat geslacht is, macht te ontvangen en wijsheid, kracht, ere, glorie en lof.”

De gehele hemel antwoordt nu op de eerste zang en herhaalt, dat deze waardigheid de Mensenzoon toebehoort, waarbij zich ook de ganse aarde aansluit en in een derde en laatste zang zich met de hemel verenigt: “En ieder schepsel in de hemel, op de aarde en onder de aarde, op zee en al wat daarin is, hoorde ik roepen: Hem die op de troon zetelt en aan het Lam zij lof en eer en glorie en kracht in de eeuwen der eeuwen”. Zo zijn hemel en aarde gelukkig om de grote macht en wijsheid die de Mensenzoon ten deel valt, gezien zijn overwinningsrecht.

Het werd dan ook aan Johannes gegeven de sluier opgeheven te zien over de toekomstige gebeurtenissen; hij ziet hoe de Mensenzoon van zijn recht gebruik maakt om één voor één de zegels te openen en de gehele toekomst te schikken tot groter geluk der uitverkorenen. Steeds spreekt Hij moed in aan al zijn christenen, want het Lam leidt hen naar het hemelse Jeruzalem, waar zij “geen honger meer zullen hebben en geen dorst, waar de zon niet meer op hen zal vallen, noch de hitte, want het Lam zal hen weiden en voeren naar de “waterbronnen des levens en God zal alle tranen uit hun ogen wegwissen” (Openb.7,16).

Fel opbeurend zijn verder, niettegenstaande hun vreselijke voorspellingen, de woorden van Johannes. Steeds opnieuw toont hij het vergezicht van de eeuwige blijdschap, waar naartoe alle levenslopen heenslingeren, zo men ze maar wil laten leiden door het Lam. Het hele boek der Openbaring is aldus een hymne aan de menselijke en goddelijke wijsheid van Jezus.

Nogmaals, aan Jezus is het oordeel overgelaten en daartoe is Hij uitgerust met alle kennis, nodig om dit oordeel in alle rechtvaardigheid uit te spreken; daar Hij zelf ons leven geschikt heeft naar ons eeuwig geluk en met zorg en waakzaamheid onze wegen heeft nagespeurd, kent Hij best onze schuld; daar Hij alle mensen kent, weet Hij best wat verleiding is, boosheid en trouw. Hij kent de geheime drijfveren die ons ontsnappen, de laatste oorzaken die ons verborgen zijn en daarom zal Hij ieder “zijn eigen last laten dragen” (Gal.6,5) en “vervolgens zijn werk vergelden” (Matt.16,17).

Het is dus van kapitaal belang Hem als leider te aanzien van ons zieleleven en van de gebeurtenissen die zich in onze dagen afspelen, en te leven in het geloof dat Hij alles schikt tot zaligheid zijner uitverkorenen, vermits Hem de Vader die macht gegeven heeft (4).

(1)  Openbaring,5. Dat Jezus het wereld- en zielebestuur bezit, moet niet bewezen worden uit deze Schriftuurplaats; dit is onze bedoeling niet, dit heeft Hij immers uit kracht van zijn Godheid, die met de Mensheid verenigd is. Wij gebruiken echter deze tekst als een beschrijvend tafereel.

(2)  Mgr. Cerfaux ziet in het openen van dit boek “een beter begrip van de Schrift”. Tot aan Christus’ tijd was de Schrift duister en onbegrijpelijk voor de joden, maar na zijn dood wordt ze duidelijk. De voorzegde feiten en leer van Jezus maken de profetieën en voorafbeeldingen duidelijk en zo is de opgerolde en onbegrijpelijke taal van de Schrift nu door het Lam geopend en verstaanbaar geworden. Wij volgen echter een andere sententie (cfr. Allo).

(3)  Deze tranen van de Apostel zijn vol betekenis. Hij immers was door de Meester uitgezonden om de wereld te bekeren; van hem hing de uitbreiding van het geloof af en zie, nu is hij tot werkloosheid gedoemd in zijn ballingschap op het eiland Patmos. Wat zal er van de Christengemeente nu geworden? Zal zij te niet gaan? Wie zal dan het evangelie verkondigen? In deze benarde toestand verlaat de Hemel hem niet, maar leert hem een der schoonste waarheden van Jezus’ verlossingswil namelijk dat de Vader aan Jezus het wereldbestuur heeft overgelaten. Jezus kent de toekomst (‘Hij ziet het boek in’) en Hij laat ze ontwikkelen volgens zijn goeddunken (‘Hij opent de zegels’). Waarom zou men dan geen vertrouwen hebben?

(4) ‘Hoofdzakelijk’ kunnen we de godsvrucht heten, die het dichtst de persoon van Jezus nadert. Welnu we mogen zeggen dat een persoon zich het meest uitdrukt door zijn wijsheid ten toon te spreiden, t.t.z. het gebruik van zijn verstand en de regeling van zijn daden. Gezien we nu juist die wijsheid in Jezus vereren, blijkt het dat deze godsvrucht het dichtst bij de persoon van Jezus staat, en dus hoofdzakelijk is. Wij voegen er nochtans bij dat, in een ander opzicht deze godsvrucht minder hoofdzakelijk kan geheten worden; dat hangt af van het oogpunt dat men inneemt. Wij kunnen ze verder ook ‘kapitaal’ heten, gezien de tijdsomstandigheden en dan begrijpen we het woord als meest nodig, als meest doelmatig om van de kwalen van deze tijd te genezen.

4. Noodzakelijkheid van de wijsheid voor de Christenen

 

1) Voor alle christenen

Daar de waarheid ons bekend is gemaakt en wij volgens die waarheid zullen geoordeeld worden, en daar wij niet tot de zaligheid kunnen geraken, zo wij de genadewerking van Jezus niet willen aanvaarden, is dus de wijsheid voor allen nodig. Wij mogen immers niet tegen ons geweten handelen: een ziek lichaamslid wordt afgezet, een droge tak afgebroken, zo het sap van Jezus’ licht niet tot onze zielen kan vloeien, zijn wij overbodige ledematen in zijn Heilig Lichaam.

Niemand kan zalig worden zonder de christelijke wijsheid te bezitten; deze is slechts een meedelen in Jezus’ verlichtende genade. Wie de woorden van Jezus veracht is “reeds geoordeeld” (Joh.3,16), immers deze mens veroordeelt zichzelf. Jezus’ Wijsheid is, zoals wij zagen, menselijk en goddelijk, wie Jezus’ woord en genadewerking niet aanvaardt, veroordeelt ook het volmaakt menselijke, handelt tegen zijn rede, tegen zichzelf en bijgevolg heeft hij zichzelf reeds veroordeeld alvorens de Meester het zal doen.

Nu kan men beweren dat er nog een andere wijsheid is buiten de Zijne, die even goed zou zijn. Er is geen enkele wereldse wijsheid, zij moge dan nog voortkomen uit de grootste geesten, of zij is aangetast door de onvolmaaktheid van de geest en de ongeregeldheid der passie. Zo iemand Jezus’ leer bewust voorbijgaat, dan is het eenvoudig “omdat zijne werken boos zijn” want “allen die kwaad doen, haten, en komen niet naar het licht… doch wie naar de waarheid handelt, komt uiteindelijk naar het licht (1).

Een andere reden waarom voor allen deze wijsheid belangrijk is: niemand kan God goed dienen tenzij hij eerst weet wat God wenst dat hij doet; welnu dat kunnen we slechts weten door Jezus te ondervragen. Het is met zijn woord te aanhoren, zijn evangelie te overlezen; met zijn genadeverlichtingen in ons op te vangen, dat we Gods wil zullen kennen. Leven in geloof en bovennatuurlijk handelen, brengt ons naar God: “Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, maar wie aan de Zoon niet gelooft, zal geen leven zien; maar de gramschap van God blijft op hem” (Joh.3,36).

(1)  Joh.3,19-21. Men overleze deze gehele evangelietekst waar het gaat over het al of niet aanvaarden van Jezus’ leer.

2) Voor hen die naar de volmaaktheid streven

Het toppunt der volmaaktheid, de liefde tot God en de naaste, wordt door de ingestorte wijsheid verkregen; daarom noemt de Schrift de rechtvaardige steeds de “wijze”. Volmaaktheid is immers in de hoogste vereniging met God gelegen en God is liefde. Hoe geraken we tot die vereniging met de beminnende God. Hierin speelt de christelijke wijsheid een voorname rol.

In de lagere regionen is het de rede, door het geloof verlicht, die ons in de goddelijke liefde leidt; in de hogere, is het de gave van wijsheid die onze ziel met God vastsnoert. Deze gave immers bestaat in een waardering, een smaak vooral wat God aangaat; zij doet ons de uitmuntendheid van die liefde inzien. We zien wel niet helder waarin die waarde ligt, maar we zijn bewust – gezien de smaak – dat het iets groots en hemels is. Zonder deze gave kunnen we niet hoger op in de liefde. Zij geeft ons immers een walging voor al wat zich tegen ons liefdestreven verzet; zoals aardse liefde, gehechtheid, zingenot, eigenliefde, en leert ons oordelen wat God aangenaam is.

Deze gave werd ons bij ons doopsel ingestort en wacht op onze daden. Zo snel wij iets voor God doen, schiet zij in werking, bijvoorbeeld een gebed; volharden wij in het gebed dan komt vroeg of laat de smaak voor het gebed en verhoogt onze verbondenheid met God.

Hoe meer ontzag wij voor Gods werking in ons krijgen, hoe meer onze wil aangespoord wordt om voortaan daden te stellen van liefde. In ieder heiligenleven horen we de roep naar deze wijsheid. Heer wat wilt u dat ik doe? Wijze liefde is volmaakte liefde. Wijze liefde houdt heel wat in: gehoorzaamheid aan Gods geboden en inspraken, nederigheid, eenvoud, geloof, vertrouwen en zo meer. Het is “de heilige werking van Gods geest bezitten”, zoals de H. Franciscus van Assisi zegt: onze ziel wordt als een klankbodem, van zohaast de gave van de H. Geest de snaren beroert, trilt de bodem; wat meer is, zij hunkert om bespeeld te worden door God.

De voorwaarden van een innige samensmelting met God zijn dus wel: het hoger waarderen van dit samenleven zelf, namelijk het medegevoel met alles wat God of de goddelijke zaken betreft en het verder verloop: het smaken en aangenaam vinden, boven al wat bestaat van de goddelijke werking; dan zal noodzakelijk de versmelting komen. Wij zijn zoals Salomon verliefd geraakt op de goddelijke Schoonheid. Vereniging is het normale eindpunt dezer waardering en van deze smaak.

Door deze gave wordt onze vereniging met God ook iets bestendigs. Het is geen voorbijgaande maar een blijvende staat; het geestelijke leven wordt erdoor gemakkelijk en natuurlijk. Onder haar invloed wordt alles eenvoudig en zij brengt ons de ware vrede. Zonder het ontwaken van dat zintuig, dat in alle zielen, die in staat van genade zijn bestaat, blijft het geestelijke leven een sleur en een slenter, ontplooit nooit tot een levensvolheid en verloopt langs barre wegen, in halfslachtige liefde. In haar ontwikkeling en vervolmaking ligt het toppunt der volmaaktheid: “de genietende liefde” of gave van wijsheid.

3) Voor de Geestelijke Leiders

Hier zouden wij een litanie van klachten kunnen laten volgen om de velen voor wie de geestelijke leiding een verveling is en voorthelpen der zielen een last. Zovele zielen roepen om brood, om intenser geestelijk leven, om vereniging met God en men leidt hen niet of kan hen niet helpen. Hier geldt in al haar tragische volheid de klacht “kinderen hebben om brood geroepen en er was niemand om het hen te brengen”. Zovele zielen zoeken naar een hart dat hen begrijpt, zovele naar een verlichtend woord om hoger te streven, maar zij vinden hun leider niet en zij dalen voort op wegen van verwijdering van God. Men kan gerust zeggen, dat het gemis aan rust in de christelijke waarheid veelal te wijten is aan het feit dat die lijdende zielen nooit de “man” vonden die hen helpen kon.

Welke is de reden van deze toestand anders dan het tekort aan wijsheid, het gemis aan bovennatuurlijkheid. De zielen hebben geen mensen nodig, die zien ze genoeg en daarvan hebben ze een walg, maar zij zoeken geestelijken in de volle zin van het woord; zij zoeken een zusterziel die leeft in geest en waarheid, die van het goddelijke en het geestelijke haar enige verlangen maakt, haar alles, voor wie al het overige matig belang inboezemt, maar die steeds op de heerlijke geloofswaarheden terugkeert, geen nutteloze woorden spreekt, “maar geest en leven” (1) meegeeft; waarvan ze terugkeren met wijding (dit is; zegen) over zich, met meer afkeer voor de wereld en hogere liefde voor God.

Zulke leiders kunnen enkel gevormd worden in de school waar Jezus leert. Hen zal het “onderscheid der geesten” gemakkelijk worden. Zij zullen een louter menselijke van een bovennatuurlijke geest onderscheiden. Zij zullen een rechtzinnig verlangen van de zielen naar God van ijdel gedroom onderscheiden. Zij zullen “de sleutel van de afgrond der menselijke geslotenheid krijgen, omdat ze sterren geworden zijn” (Apoc,1). Zij zullen de deuren ervan openwerpen en er de rook van jarenlange verstikte verlangens doen opstijgen. Zij zullen barmhartige Samaritanen zijn, die de gewonde zielen bijzonder zullen verzorgen.

Het is juist deze gave van wijsheid die een priester tot leider maakt. Bezit hij ze, dan verlaten de zielen verkeerde leiders om naar de priester te komen, bezit hij ze niet, dan verlaten zij hem om andere leiders na te lopen. Merken we op dat God die leidersgave ook aan niet-priesters geeft en leken.

De dagelijkse ondervinding leert dat het volk de geestelijke verlaat, die de wijsheid niet in zich draagt, want voor hen is hij aan hen gelijk en zij willen hem nu juist met de eigenschap van “afgescheiden” zien (Rom.1,1).

Zij willen hem zien in zijn bovennatuurlijkheid, in zijn uitstralend geloofsleven, in zijn godgewijd zieleleven, in zijn leraarsambt, zijn raad en richtinggeving. Zij moeten van hem kunnen getuigen gelijk van de Meester: “Vanwaar komt hem die wijsheid?” (Matt.13,54) en zij zoeken in hem een openbaring van een hoger leven (1 Cor.2,4).

De leiders die de wijsheid van Jezus zoeken mogen er van overtuigd zijn dat zij velen zullen redden en voor velen een kracht zijn als “Hij die ons verschenen is vol genade en waarheid” (Joh.1,14).

(1)  Rom.1, waar Paulus getuigt dat degenen die in Christus Jezus Zijn, naar de Geest wandelen…

4) Voor alle overheden

De wereld staat overeind omdat er weinig staatshoofden en regeerders zijn die de wijsheid van Jezus bezitten. In de openbaring van La Salette zegt O.L.Vrouw: “De hoofden, de leiders van het volk van God hebben het gebed en de boetvaardigheid verzuimd en de duivel heeft hun verstand verduisterd”.

Zij vestigen heel hun beleid op de wankele grond van een vrijzinnige zedenleer; zij straffen niet alle kwaad; laten een verwilderde vrijheid toe en sturen het volk naar nieuwe ideologieën of naar goddeloosheid. Zij verlaten al 1anger hoe meer de weg van Salomon zodat op hen de spreuk toepasselijk wordt uit de psalm van David: “Hoofden zijn tesamen gekomen, tegen de Heer en zijn Gezalfde. Laat ons de banden breken en zijn juk afgooien (Ps.2,2-3)”.

Wij zouden het ‘Boek der Wijsheid’ in de handen van alle regeerders en staatshoofden willen zien. Daarin leert een grote vorst hoe een volk dient bestuurd te worden. Laten we hier en daar enige zinnen onderlijnen.

“Gij die de wereld bestuurt, begint met de rechtvaardigheid lief te hebben en oordeelt ernaar. Onthoudt u van de zonde en wijsheid zal in u binnen treden. Spreek niet en oordeelt niet volgens de wereldse wijsheid. Deze zegt: “Het leven is kort en vol verveling, laten we zoveel mogelijk genieten. Daarbij, er blijft na dit leven niets van ons over en er is nooit iemand uit de andere wereld teruggekeerd. Laten we onze macht gebruiken die we hebben. Onze macht weze ons recht. Laten we de goeden verdrukken want ze zijn een berisping voor ons en zij aanzien ons als slecht.”

“Spreekt dus de wereld niet na. Geeft het volk geen gelijk. Hebt steeds het oordeel van God voor het oog en op welke wijze goeden slechten daar tegenover elkaar zullen staan en zoals God tegen het kwaad zal optreden om het te vernietigen, doet gij ook zo (Wijsh.1-5)”.

“Gij die de menigten onder U hebt, zoekt de wijsheid, want macht hebt gij van God gekregen en over de uitoefening ervan zult gij ondervraagd worden. Zoekt ze, want in haar is er een geest van verstand en heiligheid, onbevlektheid en zekerheid, een geest van aangenaamheid, die het goede liefheeft en het volbrengt, een menselijke welwillende, bestendige en vooruitziende geest. Wijsheid immers is een uitvloeisel van Gods licht, een spiegel van Gods majesteit en een beeld van Zijn goedheid.”

Zo gij deze wijsheid, afstraling van het eeuwig Licht bezit, zult gij klare taal spreken tot dc menigte, scherp zijn in het vellen van een oordeel, gij zult geëerd worden bij de ouderen en gevreesd bij uw mederegeerders. Men zal zwijgen als gij spreekt en uw woord of stilzwijgen met evenveel eerbied bejegenen (Wijsh.6-9)”.

Hoe dicht zouden de volksleiders niet bij de Meester moeten staan! Welke bruikbare werktuigen zouden ze niet moeten zijn in de hand van de Grote Leider! Konden zij begrijpen dat slechts een mededelen in de wijsheid van Jezus hen kan helpen in hun bestuur!

5) In de laatste tijden der Kerk

Aan Teresa Higginson is voorspeld dat deze godsvrucht vooral in de laatste tijden zal beoefend worden en wel hierom: het ongeloof zal op de wereld verspreid zijn en de menigte zal weer geworden zijn het volk dat gezeten is in de duisternis (Matt.4,l6)”.

Het licht van het geloof zal stilaan uitdoven, want “bij de komst van de Heiland zal er nog weinig geloof zijn” (Lc.18,8) zegt het evangelie. Daarom zullen dan alle gelovigen steun en hulp vinden in deze godsvrucht om hun geloof te bewaren, als zij het rondom hen zien uitdoven. Grote kracht zal van hen gevraagd worden om getrouw te blijven, maar deze die Jezus’ Wijsheid zullen vereren, zullen die kracht bekomen.

Een andere reden is, dat, naarmate het oordeel nadert, waarin vooral de wijsheid van Jezus zal uitschitteren, het past, dat wij daarmede ook meer rekening houden. Een gelovige moet “zijn uitersten gedenken” (Ecl.7,40) om niet te zondigen, waarom zou hij dan niet de wijsheid leren beminnen die hem oordelen zal. Hoe meer hij eraan denkt, hoe verder hij van de zonden zal wegvluchten en hoe minder hij dit oordeel vrezen moet. Zij immers die deze godsvrucht bezitten, zullen niet geoordeeld worden. “Voorwaar, voorwaar: Ik zeg u: wie naar mijn woord luistert en Hem gelooft die Mij zond, die heeft het eeuwig leven en gaat naar het oordeel niet.” (Joh.5,24) Welnu, naar Jezus luisteren, is zijn leer aanvaarden. Verre van naar het oordeel te gaan zullen wij met Hem medeoordelen zoals we eerder zegden.

Zo kunnen we nu ook aanvaarden dat die wijsheid het “teken zal zijn dat op het voorhoofd der uitverkorenen zal staan” (1), d.i. het lijden gedragen uit liefde tot God; want dit zal het lastige zijn voor de laatste gelovigen: te aanvaarden, dat alle rampen uit de hand van de Alwijze komen, en dat al het lijden, dat zij moeten dragen, door Jezus gekend is en toegelaten tot de loutering der uitverkorenen.

Ook is er nog voorspeld dat deze godsvrucht maar voor goed uitbreiding zal nemen wanneer het Rijk Gods heel en al op aarde zal gevestigd zijn (2).

(1) In de Apocalyps van Johannes ziet de apostel een teken op het voorhoofd gedrukt van de uitverkorenen, terwijl een engel over de wereld rondgaat en zolang de rampen tegenhoudt, totdat alle uitverkorenen getekend zijn. Ziehier de tekst: “En ik zag een andere engel opkomen van de opgang der zon, die het zegel van de levende God had en hij riep met geweldige stem tot de vier engelen wien het vergund is de aarde en de zee te beschadigen, zeggende: “Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, voordat wij de dienaren van onze God met het zegel op hun voorhoofd zullen gemerkt hebben (Apoc.7,3)”. Nu zou, volgens Teresa dat zegel zijn: de wijsheid van Jezus te bezitten; en dat kan wel waar zijn, aangezien wij het meest op Jezus gelijken door de gave der wijsheid en dat het Boek Ecclesiastes zegt: “De wijsheid van de mens straalt uit zijn gelaat (Eccl.8,1)”.

(2) Er wordt door veel heilige zielen voor het einde der tijden een tijdstip voorspeld, waarin de Kerk nog eenmaal na veel rampen doorstaan te hebben, vrij zal kunnen ademen. “Dat zijn Rijk kome” is de kreet geweest van duizenden harten. Het ware wel wonder dat we nu reeds in de eindperiode zouden zijn, en dat dit Rijk van Jezus stilaan zo uitsterven tot op het ogenblik dat voorspeld is: “Maar zal evenwel de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op de aarde aantreffen?” Welnu, het zou tijdens de periode van hernieuwd geloof zijn, dat de godsvrucht een uitbreiding zou nemen.

Tweede Hoofdstuk: Grondslagen van deze Godsvrucht


1. Jezus’ H. Hoofd, Zetel van de Goddelijke Wijsheid

Deze godsvrucht noemt Jezus’ Heilig Hoofd “Zetel van de Goddelijke Wijsheid”, zoals de H. Hartdevotie het Hart van Jezus de zetel van Goddelijke Liefde verklaart.

Wij moeten van meet af een onderscheid maken tussen de goddelijke Wijsheid in de persoon van Jezus en zijn menselijke. Alhoewel verenigd in één Persoon is er toch een verschil tussen beide. Spreken we dus eerst over de goddelijke. De ongeschapen Wijsheid van de tweede Persoon van de Heilige Drieëenheid wordt ook door de Vader en de H. Geest bezeten, want het is een eigenschap van de natuur van God. Er zijn echter geen drie goddelijke wijsheden, want wij weten dat Gods natuur één is. Nochtans wordt deze Wijsheid vooral aan de Zoon toegeschreven en ziehier waarom: in menselijke taal gesproken is de Zoon, de Gedachte, het Woord, het Verstand van de Vader; de Gedachte die al de werken van de Vader voorafgaat, het is het Beeld dat steeds voor de Geest van de Vader komt, waarin de Vader zich geheel en al terugvindt; Beeld waarnaar de Vader gezien heeft als Hij de schepping uitwerkt en volgens hetwelk Hij alles gemaakt heeft; Ideaal dat de Vader bemind heeft omdat het geheel zuiver en zonder vlek op Hem gelijkt. De Zoon wordt terecht en vooral Wijsheid geheten.

Vo1gens deze Naam leeft en handelt de Vader; in dit Licht verblijft de Vader. Daarom “die de Wijsheid vindt, vindt het leven” (Spreuken 8,35), omdat de Zoon het leven is van de Vader volgens dat andere woord: “Gelijk de Vader het leven in zich heeft, zo heeft Hij ook aan de Zoon gegeven het leven in zich te hebben” (Joh.5,26). Hierop zegt Bossuet: “De Vader heeft Hem dus niet het leven gegeven, alsof Het uit het niet kwam; Hij heeft het Hem gegeven van zijn eigen levende zelfstandigheid; en daar Hij de bron van leven is, heeft Hij aan zijn Zoon gegeven, een bron van leven te zijn”.

De persoon van de Zoon wordt ook nog wijsheid geheten, omdat Hijzelf alle waardering is voor, en vol verlangen naar de Vader, wetende dat Hij “Licht van Licht is” en dat Hij volmaakt gelijkt op de Vader, wetende dat er buiten de Vader niets is dat zo heerlijk is dan de eeuwige beschouwing van het wezen van God, hunkert en verlangt Hij in een machtige drang naar dit goddelijk wezen; geen ogenblik verliest de Geest van de Zoon de Vader uit het oog, gedurig en altijd schept Hij behagen en genoegen in de goddelijke volkomenheid, delft er altijd nieuwe weelden en genietingen uit; ziet er altijd nieuwe horizonten van volmaaktheid in; is niet onafscheidbaar van de Geest van de Vader “in Wie Hij is, en uit Wie Hij voortschrijdt” zegt Cyrillus Alexandrinus. Zo geeft Hij aan alle schepselen het voorbeeld van de opperste Wijsheid, die bestaat; met God alleen bezig te zijn en in Hem alleen te leven.

Welnu, deze goddelijke Wijsheid heeft als zetel genomen het H. Hoofd van onze Heiland.

Het hoofd immers wordt aangezien als het bijzonderste deel van het lichaam; daar is de zetel van het verstandelijk leven. Wij worden gewaar dat we in ons hoofd gedachten vormen, overleggen, denken. De wijsheid onder de mensen bestaat in het goede gebruik van de rede, welnu dan is het ook in het hoofd dat de wijsheid van de mensen zetelt.

Overgedragen op de Mensenzoon, vatten wij onmiddellijk dat het Heilig Hoofd de plaats moet zijn waar de goddelijke Wijsheid rust. Immers zo Hij de Gedachte is van de Vader, zijn geest, zijn raad, zijn wijsheid, dan betaamt het dat Hij in het lichaam dat deel uitkiest, waar de gedachte verblijft, namelijk het hoofd (1).

(1) Wij willen hier niet filosoferen of nu het Hoofd werkelijk de zetel of orgaan is van Jezus’ gedachteleven, daar de ziel over heel het lichaam verspreid is. Teresa spreekt dan ook niet enkel van zetel en orgaan, maar gebruikt ook andere woorden als centrum, tempel en woonplaats. Wij houden ons hier aan het algemeen aanvaarde: de ziel is de woonplaats van het gedachteleven, maar in het dagelijkse leven zien we toch naar het hoofd op, wanneer we over “gedachten, oordeel, redenering, wijsheid, enz.” spreken; zoals we verder uiteenzetten in volgend kapittel.

 

2. Jezus’ Heilig Hoofd, zetel van zijn menselijke wijsheid

 

Zo wij oppervlakkig de lering van Teresa Higginson overlopen, zouden we onder de indruk komen, dat er enkel sprake is van de goddelijke Wijsheid en wij zouden een onjuist begrip hebben van haar leer. Bij een aandachtige lezing echter zal het opvallen dat deze hoogbegenadigde vrouw steeds weer terugkeert op de menselijke Wijsheid van Jezus, doorgloeid van de goddelijke, alhoewel zij deze term weinig gebruikt; nochtans is dit de kern van de godsvrucht.

De ongeschapen Wijsheid is zo hoog en zo onnaspeurbaar, dat wij bezwijken bij de beschouwing ervan, maar de menselijke Wijsheid van Jezus staat dichter bij ons en gelijk wij reeds zegden: God heeft zich van de menselijke geest van Jezus bediend om zijn barmhartige raadsbesluiten over ons kenbaar te maken. Zolang Zij in de Vader en de Zoon was, in het eeuwig wezen Gods, kenden wij Ze niet, maar eens dat Zij verschenen is in een mens, zoals wij, en wij hebben kunnen luisteren naar Haar woord, is Zij ons vertrouwd geworden: Zij heeft vlees en been gekregen. Zij is concreet en vatbaar geworden.

Het is dan deze menselijke wijsheid van Jezus, die het eigenlijk voorwerp is dezer Godsvrucht. Wij scheiden ze echter niet af van de goddelijke en het komt er niet op aan welke term men gebruikt; ‘goddelijke’ of ‘menselijke’ of ‘godmenselijke’. De laatste ware natuurlijk de juiste; doch die is meer voor godgeleerden dan voor gewone mensen bruikbaar en wij willen ook niet de zegswijze van Teresa veranderen. “Wij drukken er hier echter op dat de bedoeling van Teresa was, vooral de menselijke Wijsheid van Jezus – die onafscheidelijk verenigd is met de goddelijke Wijsheid (1) – te aanbidden, te vereren, en na te volgen.

Onderzoeken we nu wat ons geloof ons leert over de menselijke Wijsheid van de Zaligmaker. Wij geloven zoals het in het Symbolum Athanasium staat, dat Christus een ware redelijke mensenziel bezat en bijgevolg een geschapen mensenverstand (Symb.Ath. v.30). Dit is een geloofstelling, de ketters die deze stelling tegenspraken waren de Appolinaristen; hoeveel mensen echter zijn er ook niet vandaag, die niet schijnen te weten dat Jezus een ziel had gelijk de onze. Hijzelf klaagt erover aan Teresa; “Mijn Ziel is niet gekend, mijn Ziel is niet bemind… Mijn Hart heeft duizenden harten gevonden, maar mijn Ziel bleef steeds eenzaam.”

De christelijke overlevering leert dat de ziel van Jezus met een uitnemende wetenschap versierd was. Rationalisten en sommige protestanten beweren dat zij een kennis bezat als alle andere mensenzielen; zij loochenen haar bijzondere en hogere kennis.

De Kerk echter gelooft dat Christus’ wetenschap ontzaglijk groot is en geheel vrij van de onwetendheid en de dwaling.

Dit wil echter niet zeggen, dat haar kennis oneindig is; neen, het is slechts de goddelijke kennis die onbeperkt is, de menselijke is beperkt. Als de Schriftuur dan zegt dat Jezus “alle schatten van Wijsheid en wetenschap bezat” (Coll.3,3), dat Hij “in de harten las” (Matt.9,4), dat ‘Hij de toekomende dingen aankondigde” (Matt.10,33) en “de getuige was van de eeuwige waarheid” (Joh.2,3,2), dan bedoelt zij nochtans altijd een beperkte wijsheid.

(1) Voor “menselijke Wijsheid” gebruikt Teresa de term H.Hoofd; juist gelijk men de term H.Hart voor “menselijke Liefde” kan gebruiken.

 

Jezus’ Wetenschap

Algemeen aanvaardt men dat er in Christus, als Mens, drie soorten van wetenschap waren: de kennis van God door het visioen, de ingestorte wetenschap en de kennis door ervaring, of de gewone mensenkennis.

 

1) Eerste wetenschap: de zaligende Godsaanschouwing

Christus als Mens had van het eerste ogenblik van zijn ontvangenis de aanschouwing van het goddelijk wezen, gelijk wij het eenmaal zullen hebben hiernamaals. Zijn geest is, gans zijn leven lang, verenigd geweest op een actuele (d.i. onophoudend bewuste) wijze met het Goddelijk wezen. Dit visioen was vanaf het eerste ogenblik zo volmaakt als op het laatste en veel volmaakter dan het ooit voor eenieder van ons en al de heiligen zal zijn.

En die wetenschap komt Hem toe. Hij die de wetgever is van het menselijk geslacht en bijgevolg, die het naar dit zaligend visioen moet leiden, kan dit slechts geheel en volmaakt door een klaar en volmaakt weten van de mysteriën en van de zaligheid zelf. Op Hem immers steunen wij om te geloven, omdat Hij alles weet als mens. Als mens kent Hij in God de ongesluierde geloofsgeheimen en weet dus dat het menselijk is ze te aanvaarden; als mens ziet Hij in God de afschuwelijkheid der zonde en begrijpt dat het allerredelijkst is ze te schuwen, als mens kent Hij in God de eeuwige zaligheid en verstaat dat er niets te lastig kan zijn om ze te verwerven; want als mens, is Hij “de getrouwe getuige” van Gods leven (Apoc.1,5 ).

Door die wetenschap kent hij dus eerst en vooral het wezen van God en op een volmaaktere wijze dan gelijk welk schepsel dit wezen ook hiernamaals kennen zal. Toch is deze kennis niet oneindig maar beperkt, zij put niet alle mogelijke diepten van Gods wezen uit. Vervolgens zijn Hem door het zaligende visioen alle dingen bekend, die met Zijn staat overeenkomen; gelijk ook de gelukzaligen in God alle dingen zien die met hun staat overeenkomen. Daar Christus nu, Hoofd, Koning en Rechter aller mensen is, moet Hij weten wat zij deden en doen zullen (1). Hij weet echter niet alle mogelijke dingen, daar dit een eigenschap der goddelijke wetenschap is.

(1) Dit visioen maakte Jezus’ ziel dronken van geluk en liefde. Het was de Hemel. Op aarde zijnde, genoot zij dus de hemelse glorie. In het zicht der goddelijke eigenschappen heeft zij dan ook dwaasheden van liefde voor ons gedaan omdat zij dit geluk voor alle zielen begeerde. Wonderschone bladzijden over Jezus’ ziel kan de lezer overwegen in het boek: Jésus intime 6ieme Elévation Dogmatique, Vol.I, door Ch.Sauvé, SS.

2) De ingestorte wetenschap of de wetenschap der engelen

Door de eerste kennis van God bezat de ziel van Jezus de hemel en droeg Hij de hemel in zijn ziel. Maar wie God ziet kan niet lijden, noch verdienen, daarom was er in Jezus nog een andere kennis, die we de ingestorte noemen en die de engelen, de heiligen-in-verrukking (1) en ook de duivelen gemeen hebben. Terwijl dan de vreugde der goddelijke aanschouwing zich wegdrong in het hoogste deel (2) van de ziel, zodat Hij zeggen kon “mijn God waarom hebt Gij mij verlaten” (Matt.27,45), baadde deze gewoonlijk in het licht der ingestorte wetenschap.

Zij wordt ingestort genoemd omdat zij niet langs de zinnen en door het eigen werk der rede verkregen wordt, maar van God komt. Zij is ondergeschikt aan het zaligende visioen, maar zij is veel hoger en groter dan alle wetenschappen der wereld samen.

Hierdoor kende Jezus’ ziel alle geschapen dingen in hun eigen wezen; het heelal, de geheimen van hemel en aarde, van de harten en van alle tijden. Hij kende zijn eigen toekomst, lijden en dood, maar ook de triomfen der Kerk en de trouw of ontrouw van iedere ziel. Hij wist alle gedachten der mensen, der afgescheiden zielen en der verdoemden. Hij zag de graad van glorie en straf van eenieder.

Hij zag alle lauwheid van sommige van zijn volgelingen, maar ook alle vurigheid van de liefde van anderen. Daardoor kende hij de dingen niet oppervlakkig maar innerlijk en in hun diepste gronden. De zonde, waarvan wij de slechtheid niet inzien, stond door deze wetenschap voor hem in al haar belediging. Zij hield maar op voor het mysterie van de Drieëenheid waarvan zij het bestaan wist zonder de natuur ervan te doordringen.

Deze wetenschap doet ons ook de grootheid van zijn lijden begrijpen, dat zo verschrikkelijk was omdat zijn geest de volledige kennis van alles bezat, wat Hem maar enigszins kon pijnigen.

(1) Het was niet in God, maar bij middel van gedachten die God in hen legde, dat de heiligen, als een Catharina van Siëna, en Theresia, onze Heer zagen. Het zaligend visioen kan niemand op aarde bezitten, de ingestorte wetenschap wel. Nu kan Jezus beiden en de laatste, die ons bezighoudt, in al haar volmaaktheid.

(2) Het hoogste deel der ziel is menselijkerwijze gesproken, de plaats waar men het minst bewust van is, omdat het zo zuiver geestelijk is. Het wordt ook het toppunt der ziel genoemd. God had Jezus niet verlaten in het hoogste deel der ziel, maar Jezus was er zo weinig bewust van, en in het lage deel had Hij zovele indrukken van het tegenovergestelde dat het Hem leek, dat Hij verlaten was.

3) De eigenlijke menselijke kennis of de kennis door ervaringen, bij middel van de zinnen opgedaan

Daar Christus een echt-menselijke geest bezat en bijgevolg uitwendige en inwendige zinnen, als gehoor en gezicht, als geheugen en inbeelding, zijn die zintuigen niet werkeloos in Hem gebleven, maar Hij heeft daardoor kennissen opgedaan, gedachten gevormd, welke wij de kennis der ervaring heten.

Deze was dus een aangeworven wetenschap en daarin kon Hij vooruitgang maken. Daar nu alle vermogens van zijn geest scherp en sterk waren, ging Hij vlug ‘vooruit in wijsheid voor de mensen’ (Lc.2,52), zoals het Evangelie verhaalt. Zo kwamen er bij hem ook nieuwe gedachten, volgens de nieuwe dingen die hij zag en trok hij ook nieuwe besluiten. Daardoor kende hij alle dingen die door de kracht van het werkende verstand kunnen gekend worden, niet echter de toekomende dingen.

 

Jezus’ Wijsheid

Welnu, de menselijke wijsheid van Jezus bestaat hierin dat Hij die kennissen en die wetenschap op een volmaakte manier heeft weten te gebruiken. Heel zijn leven is geweest een afgekeerdheid van al wat God niet is, en een toegekeerdheid naar al wat op zijn Vader betrekking heeft.

Heel zijn geest, verbeelding, geheugen, verstand, rede en wil, al zijn vermogens hebben zich met God bezig gehouden, en hebben getracht ons de goddelijke dingen uit te leggen. Dit heeft Teresa in drie schietgebeden vastgelegd als zij bidt:

“O Wil, die altijd gedwee onderworpen waart aan de hemelse Vader, leid mij in alles, zoals Gij al de aandoeningen en de neigingen van het heilig Hart van de Godmens bestuurd hebt.”

“O Verstand dat alles weet, leid mij door uw licht.”

“O Geheugen, dat tezelfdertijd het verleden, het tegenwoordige en de toekomst omvat, dat mij nooit vergeet, en altijd uitziet om mij nieuwe genaden te geven, dwing mij U meer en meer te beminnen.”

Wij dienen maar het evangelie open te slaan om te zien hoe echt-menselijk de Meester redeneert tegen zijn vijanden. Hoe sterk-logisch zijn bewijzen aaneensluiten, hoe wijs Hij alle sluwe opwerpingen der Joden afweert en hoe duidelijk Hij de wet uiteenzet. Zijn verbeelding zoekt de wonderbaarste parabels en vertellingen uit en hoe diep menselijk zijn ze niet. Zie de parabel van de verloren zoon en van de barmhartige Samaritaan.

Zo wij ons dan tenslotte afvragen waarom het H.Hoofd, de zetel is, ook der menselijke wijsheid, dan zal dit klaar genoeg zijn, vermits de kennis een akte van de ziel is, die wij steeds in het hoofd van de mens zien en de hersenen het middel zijn, waarvan de ziel zich bedient om te oordelen, te denken naar algemeen geldend oordeel.

O Heilig Hoofd, Zetel der goddelijke en menselijke Wijsheid, maak dat wij U beter kennen om U sterker lief te hebben!

3. Jezus’ Heilig Hoofd is de grootste achting en de goddelijke eer verschuldigd.

De eer is over het algemeen een daad, waardoor wij de uitmuntendheid van iemand erkennen. De goddelijke eer nu is de hoogste eer die wij kunnen brengen en zij bestaat in de aanbidding: het erkennen namelijk van de onbegrensde uitmuntendheid van God en Zijn opperheerschappij over ons en de schepping.

Aan alle ledematen van Jezus’ H. Lichaam zijn wij de goddelijke eer verschuldigd, omdat wij daarin niet de ledematen van een mens afgescheiden van God vereren, maar de organen van de tweede Persoon der H. Drievuldigheid, de Zoon, waarin zij een eenheid uitmaken.

Jezus’ Mensheid immers is niet een op-zich-zelf-staand wezen, zodanig dat zij op haar eigen, buiten de tweede Persoon bestaat, maar zij is er zo innig mee verbonden, dat ze ermee maar een wezen uitmaakt.

Onder de mensen wordt de meeste aandacht aan het hoofd gewijd. We zien altijd naar het hoofd om iemands gedachten te raden. Het gelaat drukt hierbij nog de zielsaandoeningen uit, zodat wij gedurig het aangezicht van onze evenmens in het oog houden om zijn gevoelens over ons te kennen. Onze betekenis als mens hangt af van de opvattingen, de denkwijze, de levensbeschouwing, die wij in ons hoofd dragen; ons intellectueel peil wordt erdoor bepaald; onze staat en stand zelf. Want zo een stand gemeten wordt naar de waardigheid van de enkelingen, waaruit hij bestaat, dan is het zeker, dat een hogere stand, bijvoorbeeld de adel, maar edel zal zijn, naarmate hij meerwaardig is in intellectueel en zedelijk leven. Niet het geld, maar het hoofd maakt de mens.

Hieruit blijkt waarom de mensen aan het hoofd ook de meeste eer brengen. Een groet wordt naar het hoofd gezonden, een zoen wordt op de wangen gegeven; de moeder aait het kind op de wangen; na lange afwezigheid zullen twee mensen elkaar omhelzen, eerbied en liefde zullen naar het hoofd gaan. Wil men een foto van een bemind wezen maken, dan kan men wel de overige ledematen weglaten als er het hoofd maar op staat. Van grote kunstenaars en dichters maakt men standbeelden en het kan reeds volstaan als men het borstbeeld namelijk het hoofd ter herinnering in de straten plaatst. Achting dus voor een persoon, gaat langs het hoofd naar zijn persoon, omdat wij menen, dat we daar zijn persoon aantreffen; zoals de eerbewijzen, wordt ook de belediging naar het hoofd geslingerd. Iemand wordt ten zeerste beledigd en oneer aangedaan wanneer men hem in het gelaat spuwt of een slag in het gezicht geeft. En nu is het ook datzelfde hoofd dat de indruk der oneer veruiterlijkt met schaamrood te worden; het bloed slaat naar het hoofd en men bedekt zich het gelaat opdat de vernedering niet worde opgemerkt.

Zo dan onder de mensen de meeste eer wordt gebracht aan het hoofd, dan is het niet te verwonderen dat Jezus aan Teresa liet begrijpen dat wij aan het H. Hoofd de grootste eer verschuldigd zijn. Komt daarbij nog dat, gezien Hij God is, en zijn H. Hoofd verenigd is met de tweede Persoon, wij dit H. Hoofd dan bijgevolg ook een goddelijke eer moeten brengen.

De Eerwaarde Pastoor Powell van de Alexanderkerk te Bootle, geestelijk leider van Teresa, vroeg in het jaar 1880, waarom de Heer zijn H. Hoofd wilde vereerd zien als orgaan van zijn zielevermogens, terwijl toch de ziel ongetwijfeld in heel het lichaam huist en het hoofd niet wordt beschouwd als het organisch centrum van alle krachten der ziel?

Hierop antwoordde zij dat haar te kennen werd gegeven dat de rede of het verstand in ons het onderdeel van de ziel is dat God het naaste staat; op een bijzondere wijze is het een beeld van God, ja, het is het licht van God zelf in de ziel en daarin zien we God, zoals Hij is, en onszelf zoals wij zijn en daardoor zijn wij in staat goed en kwaad te onderscheiden… De ziel doordringt (zeker) elk deel van het lichaam; de verstandelijke vermogens echter zijn in de ziel de bijzonderste krachten; het hoofd nu wordt beschouwd als zetel van het orgaan, of het orgaan zelf van deze vermogens… Daarom stralen ook uit het H. Hoofd, in een gloed van schitterend licht, alle kennis, alle begrip en zetelt daarin de leidende macht, die de Wil van het

H. Hart regelt en beheerst. Hierin dus ligt de betekenis van de zo gewenste devotie: dat het H. Hart door het H. Hoofd wordt bestuurd (cfr. Cecil Kerr, Leven van Teresa, 1933, blz. 134).

 4. In Jezus is het H. Hoofd het middelpunt van al de vermogens zijner ziel

Welke plaats komt het hoofd toe bij ieder mens? Daarop antwoorden wij: het hoofd is middelpunt van het lichamelijk en geestelijk leven van de mens.

Wij weten dat op lichamelijk gebied het hoofd de centrale is, die alle organen van het lichaam in gang zet. Inderdaad alle lichamelijke vermogens, voeten, handen, gezicht, gehoor en andere ledematen werken niet elk op eigen houtje, maar ontvangen hun leiding van het hoofd. In het hoofd komen al de indrukken aan, in het lichaam opgevangen; in het hoofd immers lopen alle zenuwen samen; deze zijn als telefoondraden die alle indrukken overseinen. Nu reageert het hoofd en neemt een besluit en de ledematen zullen handelen volgens het hoofd heeft aangeduid.

Op geestelijk gebied is het hoofd ook het middelpunt van heel het verstandelijk leven. Bij middel van de hersenen immers bestuurt de ziel haar verstandelijk en zedelijk leven. De ziel hangt niet wezenlijk maar uiterlijk, volgens haar werken, af van het lichaam, van de hersenen. De ziel kan niet denken zonder de hersenen. Zij kan geen wilsdaad stellen zonder de hersenen. Uit het hoofd gaat verder de leiding uit van de neigingen en strevingen der ziel. Het hoofd richt de liefde, de haat, de gramschap en andere hartstochten.

Wanneer Teresa dan het Hoofd het middelpunt noemt van de vermogens van Jezus’ ziel, dan begrijpen wij daardoor dat het H. Hoofd heel het innerlijke leven van de Meester regelt. In de vermogens van de ziel onderscheiden wij eerst de hogere vermogens die zijn: verstand en wil; de middenvermogens: geheugen en verbeelding; de lagere vermogens: de hartstochten of neigingen.

Welnu alle midden- en lagere vermogens alsook het hoger vermogen van de wil, staan onder de leiding van Jezus’ H. Hoofd, d.w.z. onder de leiding van de rede die steeds oordeelt volgens de goddelijke wijsheid.

Toen Jezus zei: “Niet mijn wil, maar de Uwe geschiede” (Matt.26,42), dan zag zijn verlicht menselijk verstand in, dat het beter was het lijden te aanvaarden dan het af te weren en dan drong hij zijn menselijke wil dit te aanvaarden. Zijn H. Hoofd was dus het middelpunt, waar het besluit onzer verlossing genomen werd.

Bij ons is het geheugen een vermogen dat dikwijls niet in onze macht is. Allerlei herinneringen van verleden dingen, zouden wij liever willen vergeten. Voor vele mensen is de herinnering een bron van groot lijden en van angsten; dat ligt hieraan dat zij niet totaal meester zijn over hun herinneringen. Het geheugen moet ondergeschikt blijven aan het verstand en de wil. Wij moeten met ons gezond verstand redeneren en ons geweten vormen. Zo deed het de Meester, zijn geheugen stond onder de leiding van zijn H. Hoofd, namelijk van zijn verstand en wil.

Geen dwazer en lastiger vermogen dan de verbeelding! Zij is levendig en beweeglijk gelijk geen enkel ander vermogen. Zij kan beeldenassociaties scheppen zo buitensporig en tuchteloos dat wij soms vernederd zijn om haar wanordelijkheid. Haar overwinnen, is zijn gedachten meester zijn, aan haar overgeleverd zijn, is het geestelijk leven bijna onmogelijk maken. In Christus was dit vermogen volledig onderworpen aan zijn H. Hoofd; Hij droeg steeds het toezicht over ieder zijner verbeeldingen. Zijn verbeelding heeft alle rijkheid en verscheidenheid van zijn land opgevangen en het gebruikt om te leraren; zijn scheppende verbeelding heeft voor ons wonderbare parabels uitgedacht. Zo kent Jezus wondergoed de planten en de bomen met hun eigenaardigheden, gelijk het mostaardzaad, de vijgenboom, de wijnrank. Hij heeft op zich laten inwerken de schoonheid van de oogst, de frisheid van het water, en de kleurenrijkheid van de bloemen. Hij had de gewoonte van zijn volk nagegaan, hun gebruiken en hun handelswijze, rechtschapenheid en valsheid, al die beelden had Hij in zijn binnenste opgetekend en er bewaard voor later gebruik. Sterk komt de verbeelding van de Meester naar voren in uitdrukkingen als deze: “Gij ziet de splinter in het oog van uw evenmens en de balk niet in uw eigen oog” (Matt.7,3). Zijn verbeelding was Oosters, zoals het volk, waaronder Hij leefde, en ook daarin is Hij aan de mens gelijk geworden, maar zijn verbeelding werd in toom gehouden door zijn H. Hoofd. Zij heeft hem ten dienste gestaan om de waarheid voor te stellen en sterker naar voren te brengen, zij heeft in dienst gestaan van zijn menselijke wijsheid.

Blijven nog de hartstochten die ook alle in de Meester aanwezig waren zoals in ieder mens. Men noemt er gewoonlijk elf op. De hartstochten van haat en liefde, vrees en vermetelheid, verlangen en afkeer, droefheid en vreugde, hoop, wanhoop en gramschap.

Wat een haat er in zijn hart bestaan heeft voor de zonde, leert ons zijn doodstrijd waar Hij bloed zweet. Hij haat de wereld (1). Hij leert zijn leerlingen hoe zij alles moeten verzaken wat hen terughoudt van God. De evangelische haat is een gevolg van de liefde. Het visioen van de goddelijke schoonheid en goedheid dat Jezus ziet, is zo verrukkelijk, dat alles wat de zielen daarvan zou verwijderd houden, verachtelijk is. Buiten God is alles zo klein en ellendig. Deze hartstocht wordt door Jezus benuttigd om heel zijn wezen van de wereld weg te houden en te doen opgaan in de Vader.

Maar ook zijn liefde is gericht en geleid door zijn H. Hoofd. En hierin ligt een beter begrip van de godsvrucht tot het H. Hart. Veel zielen stellen zich de vraag: hoe is het mogelijk indien Jezus ons werkelijk op een menselijke wijze bemint en ons goed wil, dat wij zoveel te lijden hebben van rampen in ons huis, onze ziel, in de maatschappij. Die mensen scheiden het H. Hart van het H. Hoofd. Zij vergeten dat de liefde van Jezus geregeld wordt door het H. Hoofd. Zijn liefde is zeker menselijk, maar niet louter menselijk. Jezus had medelijden met de smart van de moeder van Naïm (Lc.7,11-17), maar andere moeders die in hetzelfde geval waren is Hij voorbijgegaan, en Hij heeft hun zoon niet opgewekt. De reden is omdat zijn hart, alhoewel zeer gevoelig, toch altijd Gods inzichten volgt, die weet wat goed is voor ieder afzonderlijk. Dit begrijpen, is beter de godsvrucht tot het H. Hart vatten, is een gezonde gedachte krijgen van Jezus’ liefde, die niet is een gevoeligheid, een tederheid, een liefkozing alleen, maar een liefde die soms harde dingen vraagt wegens een hoger doel, waarbij het hart te zwijgen heeft en de hogere verlangens van de geest moet volgen.

Zijn vrees voor het lijden (Marc. 14,33) wist Hij te onderwerpen aan zijn Wil; Hij onderdrukt ze in een bovenmenselijke kalmte en, omdat Hij niet louter hart was, aanvaardde Hij gevangenneming. Hij stelde zich bloot aan het gevaar wanneer het Gods glorie eiste en alhoewel Hij wist dat men hem stenigen zou, predikte Hij onverschrokken de waarheid. Hij wist dat men Hem van de berg wilde werpen, maar niettemin legde Hij getuigenis af van zijn zending. Zijn durf was meer dan mannelijk, maar deze durfkracht was ondergeschikt aan zijn rede, want toen zijn apostelen Hem wilden meenemen naar Jeruzalem om vroegtijdig te sterven zei hij voorzichtig: “Mijn uur is nog niet daar”; alhoewel Hij durft, is Hij dus niet roekeloos, Hij berekent zijn tijd.

Hij drukt dikwijls zijn verlangen uit zijn leven te offeren: “Ik moet een doop ondergaan en hoe smacht Ik ernaar… (Lc.12,50). Hij verlangt naar de ontwikkeling van het genadeleven onder de mensen; “een vuur ben Ik op aarde komen werpen en hoe verlang Ik dat het zou ontstoken worden” (Lc.12,49), maar steeds is dit verlangen geregeld door zijn H. Wijsheid(2).

Als Hij na zijn dood een weinig eten verlangt, is het om hen te overtuigen dat Hij in een waar lichaam verrezen is, omdat een geest niet eet maar een lichaam wel. Als Hij water verlangt van de Samaritaanse vrouw benut Hij deze gelegenheid om haar over het hemelse water van de genade te spreken. Zo zijn zijn verlangens ondergeschikt aan zijn H. Hoofd.

Als Hij zijn afkeer uitdrukt voor de Farizeese wetonderhouding en deze schijnheiligen vreselijke verwijten naar het hoofd slingert, als Hij in een heilige gramschap ontstoken de tafels omverwerpt van de geldmensen, dan moeten zijn ogen wel gefonkeld hebben en zijn aanblik ontzagwekkend geweest zijn; nochtans is zijn gramschap het gevolg van zijn achting voor de zuivere wet en de heiligheid van de Hemel, zij is een uitbarsting van rechtmatige verbolgenheid tegen koppigaards die het heiligdom onteren. De toorn die Hij vertoont bij het uitdrijven van de kooplieden uit de Tempel berust op een weloverwogen besluit “het huis van mijn Vader is een huis van gebed” (Matt.21,13; cfr. Joh.2,17); dat was een eenvoudige waarheid die vergeten was, zijn wijsheid kwam ze herinneren.

En wanneer Hij eindelijk weent bij het graf van Lazarus dan zegt de Schriftuur “dat Hij bewogen werd en ontstelde” (Joh.11,33). Zijn droefheid was ingegeven door een beweegreden van vriendschap en dankbaarheid voor hem die Hem onderdak gaf en hem liefhad. Vreugden heeft Hij ook gekend, maar als zijn hart jubelde, dan was het om een waarheid die zijn H. Hoofd inzag, omdat de Vader Hem altijd verhoort, omdat de namen van de zijnen in het boek van het Leven staan, omdat de Vader de geheime diepten van de menswording ontsluiert aan de eenvoudigen en om dergelijke hemelse redenen.

Zo blijkt dat de H. Wijsheid van zijn H. Hoofd steeds het centrum is geweest van al de bewegingen van zijn Ziel.

(1) De wereld in de evangelische zin, namelijk de ondeugden van hoogmoed en begeerlijkheid.

(2) Dit vuur zal Hij slechts in volle mate na zijn dood geven, maar intussen spant Hij zich in om de mensen te winnen voor zijn leer, want naar zijn gedachte moet alles geleidelijk gaan.

5. Jezus H. Hoofd is ook het middelpunt of de leidende macht van al de gelovigen

 

De Vader bestuurt de christenwereld door middel van Jezus’ menselijke wijsheid. Zoals wij in Jezus naar de Vader gaan, zo wil de Vader “in Hem” naar ons komen. Wij zeggen “in Hem”, want als Philippus vraagt: “Toon ons de Vader,” dan zegt Jezus: “Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien”. Bijgevolg, wie mijn wijsheid ziet, ziet de wijsheid van mijn Vader, wie in mijn werken gelooft, gelooft niet in deze van een mens alleen, maar in de werken van Hem die Mij gezonden heeft”. Want “gelooft gij dan niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij? De woorden die Ik u toespreek, zeg Ik niet uit Mijzelf: het is dezelfde Vader, die in Mij blijft en die de werken verricht. Gelooft het van Mij: Ik ben in de Vader en de Vader in Mij. Zoniet: gelooft op grond van de werken.”

Waarom nu, als we niet onmiddellijk tot het geloof kunnen opklimmen van de allerhoogste vereniging tussen de Zoon en de Vader, moeten wij ze aannemen “om de werken”? Heel eenvoudig omdat Jezus’ menselijke wijsheid die Hij in die werken openbaarde, alle menselijke kracht te boven gaat en ons klaarblijkelijk toont dat ze verenigd was met de goddelijke.

Door Jezus’ H. Hoofd wordt de hele zielenwereld bestuurd. Hij, is de middelaar in de uitvoering van Gods raadsbesluiten nopens het heil van de zielen in de Kerk. Daarom is Jezus’ H. Hoofd ook het waarachtig, alhoewel onzichtbaar Licht van de Kerk; en de zichtbare leraar, de paus, staat onmiddellijk onder zijn leiding. Jezus heeft hem de onfeilbaarheid gegeven, welke niets anders is dan een rechtstreekse invloed van zijn Wijsheid.

1. Jezus is vervolgens het “Licht van de onderwijzende Kerk”, d.i. van alle kerkelijke personen die de waarheid moeten aanleren. Hij staat hen bij door zijn genade, Hij leidt en richt hun gedachten zodat ze de waarheid en de verborgenheden van de Schrift en de overlevering duidelijker kunnen naar voren brengen.

Het is Jezus’ H.Wijsheid die de geesten der godgeleerden en zedenleraren helpt en steunt in hun onderzoek naar een betere uiteenzetting der Waarheid, en vaster omlijnen der verplichtingen, wel te begrijpen als zij erom vragen. Het woord “Ik zal altijd met u zijn, tot aan het einde” (Matt.28,20) heeft vooral betrekking op dezen, die de lering zuiver en ongeschonden moeten bewaren en aan anderen overleveren. Nu men in onze tijd, meer dan ooit, compromissen wil sluiten en een bredere uitleg geven aan vele zogezegde te strenge geboden, bekruipt sommigen een gevoel van groter toegeeflijkheid en zouden ze haast dingen toelaten die lijnrecht tegenover het Evangelie staan onder voorwendsel dat men wel iets aan de tijd toegeven moet.

Past dan voor de moralist en de godgeleerde deze godsvrucht niet, opdat allebei in het licht zouden blijven van de macht, die steeds bij hen is en hun denken en zoeken leidt naar het ware licht om niet te verdwalen in het halfduistere?

2. Verder is Jezus’ H. Hoofd ook het “Licht der onderwezen Kerk” of het middelpunt vanalle christenen die de lering aanhoren. Zo zegt Paulus: “Apostelen kunnen planten en begieten maar de groei en het leven schenkt God” (1.Cor.3,6) en we mogen allereerst die groei aanzien als de leiding van Jezus H. Hoofd. Zegt Johannes dan niet klaar genoeg in het begin van zijn evangelie: “In Hem was het leven en het leven was het Licht der mensen… Hij was het ware licht dat alle mensen verlicht… (Joh.1)”? Waarom was het ook weer een ster die de wijzen uit het Oosten leidde naar Bethlehem? Omdat zij het zinnebeeld van het leidende licht was, aan hen verschenen. De wijzen strompelden met hun karavanen door lange zandwoestijnen. Zij onderwierpen hun louter-menselijke wijsheid aan het wonder dat zij gezien hadden en zeiden niet: “Misschien is het een gewoon hemelverschijnsel” maar wel: “Wij hebben zijn ster gezien” (Marc.2,2) en daarom werd zij hun leidende macht. Zo kunnen ook al de gebeurtenissen van ons leven een ster worden. Alles is immers sinds de dood van de Heiland gericht op de verlossing van de uitverkorenen, zoals wij hoger aantoonden. Wilden wij maar zien en opmerken, wilden wij maar uitroepen: “Wij hebben zijn ster gezien.”

Pilatus wilde dat licht niet zien. Hij geloofde niet aan de waarheid. De Meester zei dat zijn rijk een geestelijk rijk was, dat zijn macht of leiding vooral bestond in een geestelijke heerschappij, alhoewel de andere hem ook toekwam. De zielen regeren is het werk van Jezus. Om dit te vatten mogen onze zinnen “niet verstompt zijn” (Joh.20,29). Alhoewel God op de wereld is gekomen met gesluierd aangezicht, mag die sluier ons oog niet beletten te geloven, want “zalig noemt de Meester hen, die niet zagen” (2.Cor.3,14-18). Mozes was leider en leraar van zijn volk, zo ook Christus. De veertigjarige leiding door de woestijn is slechts een voorafbeelding van de leiding die de Verlosser hoeft aangevat na zijn dood. Gedurende veertig dagen onderwijst en leidt Hij de jonge Kerkgemeenschap. Nu zullen zij op hun beurt leiders worden. Ananias zal Paulus onderrichten, Paulus Timotheus, enz… Allen worden door het H. Hoofd geleid, maar de Meester staat een deel van zijn leiding af aan de onderwijzende Kerk, want zoals wij reeds zagen: wie de wijsheid van Jezus zoekt, mag met hem meeregeren, het vergaat met Hem zoals met een stilstaand water, dat de stralen van de zon gretig opvangt. Dat water wordt op zichzelf een haard van licht en weerkaatst het.

 

Na deze veertig dagen verdwijnt Hij uit het oog van de verwonderde leerlingen en begint de nacht van de afwezigheid van de bruidegom. Nu is het uur van het geloof geslagen! Zijn leiding begint voor goed, maar blijft onzichtbaar. De levensloop van ieder gedoopte wordt door de geest van Jezus nagegaan en zodanig gelegd en verlegd dat hij eindelijk bij de Vader kan uitmonden. De al te grote bekoringen worden afgeweerd, want het H. Hoofd luistert naar de dagelijkse vraag “en leid ons niet in bekoring”; de zware beproevingen worden gewogen, het kruis wordt gewogen, de dagen, uren en minuten geteld, de genaden worden gereed gelegd en neergezonden naarmate ze aanvaard worden. Bijzondere genaden worden voorbereid en op sommige ogenblikken hier en daar over het leven heen gestrooid. Bij iedere ziel is de goddelijke Leider de getrouwe vriend, die geheel het leven meegaat en haar geen enkel ogenblik alleen laat. Hij kent ze dwarsdoor. Hij kent al haar zwakheden en ook haar sterkte. Hij wil haar redden. Hij zal al het mogelijke doen wat denkbaar is om haar te redden. Het zal aan Hem niet liggen dat ze verloren gaat. “Hij kent zijn schapen.”

O Heilig Hoofd, leidende macht van alle zielen van deze wereld, dat allen U mogen leren kennen, U loven, op U vertrouwen en U liefhebben; dat alle zielen op U mogen steunen, zich blindelings door U laten leiden, geen vrees hebben maar met moed en wilskracht zich onder Uw leiding stellen.

6. Jezus’ H. Hoofd is ook de leidende macht (1) van al dezen die gescheiden zijn van de Kerk.

Simeon bezong het Kind dat hij in zijn armen mocht ontvangen als een “licht ter openbaring voor de heidenen” (Lc.2,32). Inderdaad, al diegenen die Jezus niet bezitten, hebben het leven niet, want het echte leven bestaat in “de Vader te kennen en Hem die Hij gezonden heeft” (Joh.l7,3) en opdat allen de Vader zouden kennen, gelijk Hij zijn Vader kent (Matt.11,27).”

En nu mogen de volkeren Jezus verwerpen en uitroepen: wij willen dit licht niet, wij verkiezen de duisternis, toch blijft Hij hun Hoofd en hun leider. Eerst omdat Hij koning is over al het geschapene en ten tweede uit recht van overwinning.

Nergens komt de leiding van de Mensenzoon over alle volkeren zo sterk uit, dan in de tweede psalm en hoe wonderbaar toepasselijk is hij op onze huidige tijd: “Waarom razen de volkeren, bluffen de naties, komen de koningen der aarde bijeen, spannen de vorsten samen tegen Jahweh en zijn Gezalfde? Laat ons hun ketens verbreken, ons van hun boeien ontslaan! Die in de hemelen woont lacht hen uit, Jahweh bespot hen; dan dreigt Hij hen toornig, doet ze rillen van zijn gramschap: Ik stel zelf Mij een koning aan op Sion, mijn heilige berg. Dan treedt de Messias op en zegt: Nu wil Ik Jahweh’s beslissing verkonden! Hij heeft Mij gezegd: Gij zijt mijn Zoon; Ik heb U heden verwekt. Vraag Mij: dan geef Ik U de volkeren tot erfdeel. En de grenzen der aarde tot Uw bezit”.

Velen hebben zich afgescheurd van het lichaam van Christus en het geloof vaarwel gezegd om allerlei redenen. Jezus heeft erover gezegd dat hun toestand vreeswekkender zal zijn dan van die Hem nooit gekend hebben. Voor hen is de reddende macht een lange blik op het H. Hoofd, dat voor hen met doornen werd gekroond.

Velen hebben de Moederkerk verlaten voor de hervormingen en meenden God te behagen door te luisteren naar hun leraren. Over hen heeft Jezus aan Teresa gezegd dat deze devotie velen in Engeland zou terugvoeren naar de eenheid. De vereerders van het H. Hoofd bidden voor de eenheid. Maar zovelen hebben van Hem nooit iets gehoord en vragen als de blindgeborene: “Wie is Hij opdat ik in Hem geloven moge (Joh.9,36)?”. Ze zijn de massa in de duisternis gezeten. Over hen is Hij ook koning. Hij wil hen echter langs de mens zelf tot zich roepen. Mensen moeten mensen redden. Zij vormen de oogst en men moet voor maaiers bidden. Deze drie soorten mensen zijn de bekommernis van de H. Hoofdvereerders.

(1) Hierdoor moet verstaan worden een macht die alle levensomstandigheden regelt tot het bekomen van de volle waarheid, binnen de ene, ware Kerk.

LEES HIER VERDER: https://teresahigginson.wordpress.com/2013/04/19/doc-h-hoofd-devotie-deel-2

 

Advertenties

4 gedachten over “H.Hoofd Devotie

  1. Werkelijk mijn diepste gevoelens zijn ontroerd…God weet alles,God weet wat wij ,zondaars het meest nodig hebben,vooral heden , aan Zijn Bevrijdende,Vergevende,Helende en Heiligende Liefde…. Laten wij ons als een kind voortdurend in vertrouwen overgeven aan het Onbevlekt Hart van onze Moeder van Jezus om ontvankelijk te kunnen zijn voor de Heilige Geest,die de Liefde en de Vreugde Zelf is. En die onze zwakheid en onbekwaamheid ter hulp komt om Gods wil te kunnen onderscheiden en te kunnen volbrengen .Door alles wat in ons en in de wereld in tegenspraak is en in strijd is tegen God door ongeloof en geestelijke hoogmoed door alle aanvallen en verleidingen en verwarringen en leugens van de boze door zelfverering, te kunnen overwinnen.Door de uiteindelijke overwinning van het Hoofd van Jezus en van heel Zijn Mystiek Lichaam.
    Amen

  2. Elke devotie kent zovele gebeden, soms zoveel, die kun je niet allemaal gaan bidden. Leerde Jezus zijn apostelen niet slechts het Onze Vader…? Leerde Jezus ons niet bidden tot God, zijn Vader en te bidden in zijn (Jezus’) naam. Waarom dan bidden tot het H. Hart van Jezus, het H.Hoofd van Jezus, tot Maria, enz. (heiligen). Er komt geen einde aan de stroom van gebeden, soms met nog beloften die eraan vast zitten en die in omloop zijn binnen de R.K. Kerk. Ik word er ziek van en hou het liever eenvoudig. Bidden tot God de Vader in Jezus’ naam. Soms met eigen woorden, soms in combinatie met het lezen uit de Bijbel en soms met het Onze Vader-gebed en eventueel met een psalmgebed. Er is een oproep in Psalm 62 om je hart uit te storten bij God. Hij is een schuilplaats. God weet wat er in je hart is.
    Het Jaar van Gods Barmhartigheid is aangebroken. De spanningen in de wereld nemen alleen nog maar toe, hoe hard er ook gebeden wordt. Niet alleen gebed kan de wereld redden, maar juist het gehoorzaam zijn aan de Wil van God. Ik denk niet dat het gaat lukken met ellenlange gebeden die de Kerk rijk is. Ik denk dat we meer de eenvoud moeten zoeken. En niet afgaan op allerlei boodschappen van God, Jezus, Maria aan individuele personen. Jezus zelf heeft ons in het Evangelie gewaarschuwd voor valse profeten en profetieën (Zie Matteüs 24). Dergelijke profetieën zijn er best veel en het kan je behoorlijk in de greep houden, omdat het allemaal zo waar lijkt. Het maakt mensen alleen maar bang en het belemmert je in het dagelijks leven. Wat moeten we met al die verschijningen van Maria en de vele profetieën van de Eindtijd. In de BIjbel staat daar al heel veel over en daar hebben we genoeg aan. Daar staat alles in, wat we weten moeten voor onze tijd. Dat dit een moeilijke en een zeer zware tijd is, staat buiten kijf.
    Lees 2 Tim.3 en eenieder herkent de tijd waarin hij/zij leeft en dat is nu.
    Nog een interessant gegeven is dat ik vroeger op de Mariakalender (eind jaren zeventig vorige eeuw) deze zinspreuk tegenkwam:
    “We leven in een tijd van verval en achteruitgang in onze samenleving, wanneer de zonde geen zonde meer genoemd mag worden.”
    We kunnen geloof ik wel stellen dat we al een poosje in zo’n samenleving leven. Ik vind de samenleving ook erg veranderd de afgelopen 40-50 jaar. De laatste tien jaar is er nog veel meer veranderd en de rek is er nu helemaal uit. De hele wereld staat in de brand en het wordt met de dag erger. Het gaat naar een climax toe die wordt o.a. beschreven in de Openbaring van Johannes. Ik vind deze tijd beangstigend. Het beste is onze toevlucht tot God ‘Ik ben die is’ God Jahwe (God Yahweh in English Bible) zelf te nemen. Hij is de Almachtige Vader, Schepper van Hemel en aarde en Hem om ontferming smeken in Jezus’ Naam. Een voortdurende oproep tot bekering en een gebed en vasten houden zou ik beter vinden, dan alleen maar bidden.
    Zelf ben ik in een tijd opgegroeid waarin al veel verdwenen was voordat ik volwassen werd. Ik groeide op in een klimaat van polarisatie in de Kerk. Het was moeilijk om als jongere voor je geloof uit te komen in de jaren zeventig. We hebben niet echt geleerd te vasten en te bidden en sterk in je geloof te staan. Dat zal dan ook altijd een zwak punt blijven voor mij en mijn generatie. De liefde voor God zelf ontbreekt vaak en vele gelovigen denken soms heel anders dan je van gelovigen zou verwachten. Er is verdeeldheid binnen de Kerk en die is groter dan velen misschien denken. Alleen het komt niet altijd naar boven. En toch heb ik het gevoel dat er iets broeit binnen de Kerk in Nederland en België. Maar het is nog vrij stil. De manifesten van met name de progessieve vleugel boezemen mij geen vertrouwen in. Zij hebben het echt al over een opstand in de Kerk. Ook heb ik geen vertrouwen in de zeer conservatieve vleugel in de R.K. Kerk die op een andere manier ook extreem zijn. Dan doel ik o.a. op gelovigen die alle verschijningen van Maria geloven of boodschappen en bepaalde voorspellingen, die heel waar lijken en er details worden vermeld, gegeven aan een zieneres door God de Vader, Jezus en Maria gegeven en die heel veel gebeden doorgeeft die gelovigen dan ook weer elke dag moet bidden. Er is ook een website van en er komt geen einde aan de stroom van gebeden die op deze website staat. Met andere woorden. Het is niet eens te doen om dat allemaal te bidden voor de redding van de wereld. De wereld is niet te redden door onze gebeden. Alleen door ingrijpen van God zelf zal er iets kunnen veranderen. De wereld is al veel te ver heen met het toelaten van kwade dingen en zelfs zo dat het in de wetten geregeld is.

  3. Enkele correcties aangebracht in mijn reactie van zojuist.
    14 december 2015.

    Mijn reactie op de Heilig Hoofd devotie:

    Elke devotie kent vele gebeden, soms zoveel, die kun je niet allemaal bidden. Leerde Jezus zijn apostelen niet slechts het Onze Vader…? Leerde Jezus ons niet bidden tot God, zijn Vader en te bidden in zijn (Jezus’) naam. Waarom dan bidden tot het H. Hart van Jezus, het H. Hoofd van Jezus, tot Maria, enz. (heiligen). Er komt geen einde aan de stroom van gebeden, soms met nog beloften die eraan vast zitten en die in omloop zijn binnen de R.K. Kerk. Ik word er ziek van en hou het liever eenvoudig (zie Matt. 6,5-15). Bidden tot God de Vader in Jezus’ naam. Soms met eigen woorden, soms in combinatie met het lezen uit de Bijbel en soms met het Onze Vader-gebed en eventueel met een psalmgebed. Er is een oproep in Psalm 62 om je hart uit te storten bij God. Hij is een schuilplaats. God weet wat er in je hart is.
    Het Jaar van Gods Barmhartigheid is aangebroken. De spanningen in de wereld nemen alleen nog maar toe, hoe hard er ook gebeden wordt. Niet alleen gebed kan de wereld redden, maar meer nog het gehoorzaam zijn aan de Wil van God en op God te vertrouwen. Ik denk niet dat het gaat lukken met ellenlange gebeden die de Kerk rijk is. Ik denk dat we meer de eenvoud moeten zoeken. En niet afgaan op allerlei boodschappen van God, Jezus, Maria aan individuele personen. Jezus zelf heeft ons in het Evangelie gewaarschuwd voor valse profeten en profetieën (Zie Matteüs 24). Dergelijke profetieën zijn er best veel en het kan je behoorlijk in de greep houden, omdat het allemaal zo waar lijkt. Het maakt mensen alleen maar bang en het belemmert je in het dagelijks leven. Wat moeten we met al die verschijningen van Maria en de vele profetieën over de Eindtijd, die ook weer van elkaar verschillen al zijn er overeenkomsten. In de Bijbel staat daar al heel veel over en daar hebben we genoeg aan. Daar staat alles in, wat we weten moeten voor onze tijd. Dat dit een moeilijke en een zeer zware tijd is, staat buiten kijf.
    Lees 2 Tim.3 en velen zullen de tijd waarin ze leven en dat is nu.
    Een interessant gegeven is dat ik vroeger op de Maria kalender (eind jaren zeventig vorige eeuw) deze zinspreuk tegenkwam:
    “We leven in een tijd van verval en achteruitgang in onze samenleving, wanneer de zonde geen zonde meer genoemd mag worden.”
    We kunnen geloof ik wel stellen dat we al een poosje in zo’n samenleving leven. Ik vind de samenleving erg veranderd de afgelopen 40-50 jaar. De laatste tien jaar is er nog veel meer veranderd en de rek is er nu helemaal uit. De hele wereld staat in de brand en het wordt met de dag erger. Het gaat naar een climax toe die wordt o.a. beschreven in de Openbaring van Johannes. Ik vind deze tijd beangstigend. Zou het niet veel beter zijn onze toevlucht tot God ‘Ik ben die is’ God Jahwe (God Yahweh in English Bible) zelf te nemen, dan tot allerlei devoties?Hij, God alleen is de Almachtige Vader, Schepper van Hemel en aarde en zouden allereerst tot Hem om ontferming smeken en in Jezus’ Naam. Een voortdurende oproep tot bekering en een gebed en vasten houden zou ik beter vinden, dan alleen maar bidden.
    Zelf ben ik in een tijd opgegroeid waarin al veel verdween o.a. het vasten voordat ik volwassen werd. Ik groeide op in een klimaat van polarisatie in de Kerk. Het was moeilijk om als jongere voor je geloof uit te komen in de jaren zeventig. We hebben niet echt geleerd te vasten (Matt. 6,5-1) en te bidden (Matt. 6,16-18) en sterk in je geloof te staan. Dat zal dan ook altijd een zwak punt blijven voor mij en mijn generatie. De liefde voor God ontbrak in feite toen al en nog steeds en vele gelovigen denken soms heel anders dan je van gelovigen zou verwachten. Er is verdeeldheid binnen de Kerk en die is groter dan velen misschien denken. Alleen het komt niet altijd naar boven.
    Vaak heb ik het gevoel dat er iets broeit binnen de R.K. Kerk in Nederland en België. Maar het is nog vrij stil. De manifesten van met name de progressieve vleugel boezemen mij geen vertrouwen in. Zij hebben het echt al over een opstand in de Kerk, willen bijv. vrouwen in het priesterambt. Verder heb ik geen vertrouwen in de zeer conservatieve vleugel in de R.K. Kerk die op een andere manier ook extreem zijn. Dan doel ik o.a. op gelovigen die alle verschijningen van Maria geloven en/of boodschappen en bepaalde voorspellingen, die heel waar lijken en er zelfs details bij worden vermeld, gegeven aan een zieneres door God de Vader, Jezus en Maria gegeven en die heel veel gebeden doorgeeft die gelovigen dan ook weer elke dag moet bidden. Er is ook een website van en er komt geen einde aan de stroom van gebeden die op deze website staat. Met andere woorden. Het is niet eens te doen om dat allemaal te bidden voor de redding van de wereld. De wereld is niet te redden door onze gebeden. We zouden eigenlijk moeten én bidden én vasten en goed blijven doen. Alleen door ingrijpen van God zelf zal er iets kunnen veranderen. De wereld is al veel te ver heen met het toelaten van kwade dingen en zelfs zo dat het in de wetten geregeld is.

    Dit is een bewerkte versie van mijn eerste reactie.
    Met vr.groet, Marian

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s